FR
FR
overzicht  |  faq  |  zoeken  |  registreer  |  log in
FR / Troubadours Hoek / Archief / Verhaal 14: De Brandende Geliefde Nieuw Topic   Nieuwe Reply
Topic starter Topic: Verhaal 14: De Brandende Geliefde
Musketier
You talking to I.R. ?
Musketier is offline Door Musketier (Admin + Fr legend 2010) - Wednesday 02 March, 2005 10:44  Bekijk gebruikersprofiel Reageer met quote     



De Brandende Geliefde

(Verhaal: Grey-Wolf)



‘Hare Majesteit, de koningin!’ De luide stem van de dienaar galmde over de grasvelden van het landgoed.
‘Majesteit,’ de koopman aan de deur boog diep. Hij hield de deur wagenwijd open.
‘Het is nog altijd vrouwe voor jou, Liandro Narosson.’ De koningin knipoogde en schreed het landhuis in. De rijke koopman hielp haar uit haar jas en nam haar bij de arm.
‘Je weet de weg hier inmiddels wel, lijkt me,’ hij grijnsde en nam haar mee naar de eetzaal.

De zaal was rijkelijk versierd. Op het plafond schitterde een prachtig kunstwerk, twee geliefden die elkaar innig omhelsden. De rode, stoffen gordijnen voor de ramen waren dicht en dempte de schemer die langzaam buiten inviel. Het enige licht kwam van de negenarmige kandelaars verspreid over de grote eettafel. Op die tafel pronkte een overweldigende voorraad eten. De meest exotische specijeren, gebraden kalkoen, fruit en groenten in alle kleuren van de regenboog. Opgediend in zilveren schalen, borden en zelfs het bestek. De wijnglazen waren van kostbaar, dun kristal.

Liandro nam plaats aan de tafel, tegenover vrouwe Rowena.
‘Zullen we dan maar beginnen met het voorgerecht?’ Hij glunderde, waardoor hij een jongensachtige trek in zijn gezicht kreeg. Hij was beslist mooi, besefte Rowena. Zijn lippen waren welgevormd. De gladde huid op zijn voorhoofd, had een bruine tint en leek bijna te glimmen. Maar het mooist waren zijn ogen, die leken altijd te lachen. Van die vonkjes in zijn ogen, kon zij haar ogen niet af houden. Plotseling besefte dat ze aan zaken dacht, die een koningin niet betaamde. Ze was getrouwd! Een vluchtige, rode blos verscheen op haar wangen en ze richtte haar blik op het voedsel dat voor haar prijkte.
‘Ja, laten wij genieten van deze overheerlijke spijzen.’

Gang na gang, aten de twee. Zelfs een maaltijd in het koninklijke paleis stak hierbij kaal af. Van te voren had Rowena niet geweten, dat er zoveel verschillend voedsel in Tarallon bestond. Je had de zoete, zwarte bessen daar, die gele, bittere - maar toch frisse - vrucht voor haar en de zoute, groenkleurige zeeplanten aan haar rechterhand.
Maar de rode wijn smaakte het beste. De drank was zacht maar sterk en gleed moeiteloos door haar keel. Rowena kon er bijna niet vanaf blijven en het viel haar nauwelijks op dat Liandro af en toe slechts halfomslachtig nipte van zijn glas. Telkens als de koningin haar wijnglas leeg had gedronken en hem voorzichtig weer op tafel neerzette, dan schoot de rijke koopman behulpzaam toe en schonk haar een nieuw glas in. “Wijn van 673 na Tandor de Veroveraar,” had hij haar verteld. “Het kost extra lang om de drank te laten rijpen. Speciaal laten importeren van over de Witte Oceaan,” voegde hij er achteloos aan toe. “Zeer goede wijn.”
Rowena had alleen maar geknikt en opnieuw een slok genomen.

Na een aantal glazen werd de koningin wat losser van tong en begon Liandro te vertellen over het koninklijke leven. Eerst pauzeerde zij nog even, om na te denken over haar woorden, maar later kletst zij al honderduit. Langzaam deed het vergif van de wijn zijn werking en na mate de wijnfles verder leeg raakte, kwamen er steeds minder samenhangende zinnen uit de mond van de koningin. Een soort koortsachtige, rode gloed verscheen in haar reebruine ogen en bij iedere zin giechelde ze meisjesachtig.
Liandro grijnsde, zijn ogen flitsten. Hij kon zich niet losrukken van haar prachtige lichaam. De temperatuur was gestegen in de eetzaal en daarom had de koningin een aantal knellende kledingstukken uitgetrokken. De ronde welving in haar korset duizelde hem. Haar lippen waren rood, vurig als een ondergaande zon. Haar ogen waren de sterren..
Verlangend greep Liandro zich vast aan zijn stoel, zijn vingers boorden zich in de zachte kussens. Vrouwe Rowena praatte nu over haar geliefde man, de koning. De koopman luisterde maar met een half oor, zijn gedachten elders. Even vertrokken zijn lippen in een wrede trek, maar ontspanden snel.

Een blik op de grote, staande klok tegen de zijmuur leerde hem dat het tegen tien uur ’s avonds was. De nacht was ingevallen, zwart en duister. Te laat voor een koningin om zich op straat te wagen. Hij grijnsde en hoopte dat zijn bediende al zijn bevelen goed hadden opgevolgd.

Vrouwe Rowena stak haar hand uit om haar glas opnieuw te pakken. Ongecontroleerd sloeg zij het glas van de tafel, waar het uiteen spatte in honderden scherven. Ze sloeg een hand voor haar mond en lachte toen, terwijl er pretlichtjes in haar ogen schitterden. Bijna had Liandro de neiging te schelden, te vloeken, maar hij beheerste zich op het laatste moment. ‘Geldverspilling,’ mompelde hij verbitterd.
De koningin stotterde verbaasd een aantal excuses, en wou zich bukken op de scherven op te gaan rapen.
Snel stond Liandro op en liep om de tafel heen. Hij pakte de arm van de koningin vast, middenin de beweging.
‘Geeft niet, majesteit. De bedienden ruimen het zo wel weer op.’ Haar huid was warm en de aanraking brandde op zijn huid.
De koningin maakte een nonchalant gebaar en wierp een blik op de koopman voor haar. Hij glimlachte, in een poging haar gerust te stellen. Nog steeds haar huid tegen de zijne..

‘Majesteit?’
‘Rowena, lieverd.’ Een rilling kroop over zijn rug, maar hij negeerde het gevoel en vermande zich.
‘Het zou een eer zijn, om het dessert in Uw aanwezigheid te mogen nuttigen.’
De koningin glimlachte flauwtjes en de koopman nam haar bij haar arm. Hij begeleidde haar naar de zwarte sofa’s in de hoek van de kamer. De koningin vleide zich neer en zuchtte diep. Liandro riep een bediende, die hen voorzag van hun dessert. Zachte, mierzoete roomijs, die smolt op de tong.

De koopman nam ook plaats op de sofa, zich bewust hoe dicht hij bij de koningin zat. De huid op zijn handen brandde nog steeds van de aanraking. Onhandig lepelde de koningin haar ijs in haar mond. Wonder boven wonder knoeide zij niet één keer. Het was nu tijd om zijn plan in uitvoer te brengen.
Liandro schoof iets dichterbij, heimelijk zodat vrouwe Rowena het niet doorhad. Hij smakte even met zijn lippen, aangevend dat hij de smaak van het ijs kon waarderen. Vrouwe Rowena was weer begonnen met de kletspraat en roddels die in het paleis de ronde deden en leek helemaal op te gaan in haar verhaal.
Plotseling schoot Liandro’s lepeltje uit en een stukje ijs kwam terecht op het decolleté van de koningin. Hij stamelde verontschuldigingen, haalde een zakdoek te voorschijn en boog zich voorover om het stukje weg te vegen. Vrouwe Rowena neeg haar hoofd om naar het stukje ijs te kijken, dat wegsmolt op haar jurk. Daardoor kwam ze nog dichterbij de koopman.
Hij kuste vurig haar nek, terwijl zijn lichaam het van verlangen uitschreeuwde. De koningin giechelde en draaide haar hoofd naar hem toe. Ze brabbelde iets over haar hofhouding en haar man. Liandro streelde haar wangen en kuste haar lippen.
‘De koning....’ bracht vrouwe Rowena nog net uit en toen werd ook zij meegezogen in de wilde passie.

***

Nakar, kapitein van de koninginnegarde, had na het vertrek van zijn meesteres, de keuken van het grote landhuis opgezocht. Daar vond hij een aantal bedienden en butlers, die rond een grote tafel zaten te dobbelen. Onder de aanwezigen waren ook enkelen van zijn mannen, een aantal wachters en een bode. De mannen groette de kapitein van hun garde jolig en daagden hem uit mee te doen aan het dobbelspel.
‘Nakar! Vriend! Hier is nog plaats vrij.’ Een zwaargebouwde man, van achter in de dertig, klopte vriendelijk op een houten kruk naast hem.
De kapitein gromde wat ten antwoord en schoof aan Hij graaide de dobbelstenen van de tafel en mompelde met een grijns een schietgebedje.
‘Laat het spel beginnen...’

***

Het was al over middernacht, toen de gokspellen waren geëindigd. Nakar’s zakken bestonden nog slechts uit stof, hij bezat geen stuiver meer. Een roodharige zanger, Merion, had opmerkelijk veel geluk gehad deze avond en was met een zak vol munten het landhuis uitgelopen. Als hij niet op straat werd beroofd, dan zou het geld wel elders opgaan in een ander deel van de stad. Een butler had de zanger nog schertsend “veel plezier gewenst bij de Gilde der prostituees”. Nakar had mee gelachen.
Tegen elf uur, net op het moment dat de dobbelaars aan hun achtste biertje waren begonnen, was een lakei van de koopman binnengekomen. Hij deelde hen mee, dat de koningin had besloten de nacht door te brengen in gastenvertrekken op de eerste verdieping en niet huiswaarts te keren. Spontaan werd hem een biertje aangeboden.
Nu waren al zijn mannen, in broederlijke vriendschap met de huishouding van de koopman, naar de kamers voor de gasten vertrokken. Daar zouden zij hun roes uit slapen.
Nakar was alleen achter gebleven. Terwijl hij met zijn rechter hand zijn hoofd ondersteunde, keek hij mistroostig naar de lege bierglazen aan de overkant van de tafel. Hij had niets gedronken vanavond. De kapitein kende zijn plicht en moest helder blijven. In gevallen van nood was hij de leider. De mannen rekenden op hem. Daarom had Nakar zich van het bier onthouden, hoewel hij er eigenlijk wel eentje had gelust.
De kapitein werd geplaagd door twijfels, die verhinderden dat hij in slaap kon vallen. Op het moment, dat die lakei de mededeling had gedaan, herinnerde Nakar zich dat hij - vreemd genoeg - erg voldaan had gekeken. Alsof hij net ergens een grote schat had opgeduikeld of een dikke fooi had opgestreken. Nakar had er toen niet zo veel aandacht aan besteedt, hij was veel te druk bezig geweest met de dobbelstenen.

Maar hoe langer hij er nu over piekerde, hoe vreemder de gebeurtenis werd. Normaal gesproken deelde de koningin altijd persoonlijk haar orders uit. Dat was een extra motivatie voor haar hofhouding om haar wensen dan meteen uit te voeren. Bovendien, de koningin sliep vrijwel altijd in haar eigen bed. En zij ging altijd op een verstandige, vroege tijd terug naar het paleis. Bij voorkeur als het nog licht was.

Nakar hief zijn hoofd op, toen hij het blaffen van de waakhonden hoorde. Na middernacht? Onmiddellijk kwam de gedachte aan inbrekers in de kapitein op. De koopman was ten slotte een rijk man.
Nakar sloeg zijn zwaardriem om, bevestigde er zijn slagzwaard aan en testte of het wapen ook gemakkelijk uit de schede kon worden getrokken. Hij sloop gebukt naar het raam en schoof heel voorzichtig het gordijn een klein beetje opzij. Het was aardedonker buiten. Geen bewegingen te zien, geen teken van het honden. Had hij het zich verbeeld? Nakar schudde met zijn hoofd en kneep stevig in zijn arm. Hij sliep niet.
Net op het moment dat hij zich wou omdraaien, hoorde hij het geluid opnieuw. De gardekapitein drukt zijn gezicht tegen het glas en tuurde het duister in. Eerst zagen zijn ogen niks, maar snel onderscheidde enkele bomen en lage struiken. In zijn linkerooghoek bewoog iets. Een zwarte vlek, donkerder dan de nacht haastte zich door de tuin. Achter hem renden vier, smalle figuren, de waakhonden, zo nam Nakar aan. De voorste hond bereikte de schaduw en sprong. De schaduw viel, maar krabbelde al snel weer op en bewoog zich nog sneller door de tuin heen. De afloop van de jacht kon Nakar niet zien, de begroeiing in de tuin blokkeerde zijn zicht.

De kapitein rilde onwillekeurig en wendde zich met moeite van het raam af. De figuur was weggerend van het huis en er niet naar toe. Dus hij hoefde nergens voor te vrezen. Hij kon zijn ogen haast niet open houden, langzaam maar zeker verdwenen de twijfels en mysteries uit zijn gedachten. ‘Ik moet een bed vinden,’ mompelde hij en gaapte.
Hij wankelde de gangen in, richting van de gastenvertrekken. De slaap benevelde hem, waardoor hij nauwelijks vooruit kwam. Een aantal malen moest hij zich zelfs vastgrijpen aan een voorwerp of een beeld, anders zou hij omgevallen zijn.
Hij strompelde de gastenvertrekken, zijn hoofd al half op zijn borst. Achteraan, dicht bij het open raam, was nog een bed vrij. De mannen lagen luidruchtig te snurken, sommigen hadden niet eens meer de moeite genomen de dekens over zich heen te trekken.
Vechtend tegen de slaap wist de kapitein de weg naar het bed af te leggen. Hij zakte neer op de schone, witte lakens en strekte zijn spieren.
Hij rook iets. Een vreemde geur, die hem vaag bekend voorkwam. Het prikte in zijn neusgaten. Nu hoorde hij ook een zacht, knetterend geluid. De geur werd sterker, de gardekapitein kon het bijna op zijn tong proeven. Maar hij kon het nog steeds niet goed definiëren.

Hij veerde overeind in zijn bed, toen hij kleine vlammetjes aan het raamkozijn zag likken. Hij proefde de geur van hout dat werd verbrand! Brand! Het besef denderde door hem heen. Recht overeind in zijn bed staarde hij verstijfd naar het aanwakkerende vuur, dat zich voedde aan het houtenkozijn. Steeds sneller verspreidde het vuur zich en het gehele raam stond nu in brand. De vlammen brulden. Nakar slikte en vond eindelijk zijn tong terug.
‘Brand!’ schreeuwde hij. De vlammen laaiden op en verteerde de achterwand. Het vuur deed pijn aan zijn ogen, hij voelde de hitte branden tegen zijn huid. Adrenaline pompte door zijn aderen en activeerde hem onmiddellijk. De kapitein sprong uit bed, terwijl als een wilde gebaarde en hard “Brand!” riep. Een aantal soldaten schoten wakker, maar keken eerst versuft naar het vuur. Toen drong het besef door en ook zij begonnen te schreeuwen.

De gastenvertrekken werden een chaos. Iedere soldaat probeerde zo snel mogelijk zijn eigen leven te redden. Er werd geduwd, geslagen en gevochten om als eerste de deur te bereiken. Grote vuurtongen likten al aan de achterste bedden en zwollen heviger aan. Het vuur blakerde de muren zwart en verteerde al het brandstof. De lucht zinderde van de hitte. Nakar was als één van de eersten bij de deur. Hij trok ruw een zwaargebouwde man opzij, die de deur versperde. Hij moest hieruit komen! Achter hem in het vertrek hoorde hij hoog gegil en zijn neus ving de scherpe geur van verbrand vlees op. Het gedrang werd heviger, een soldaat viel en werd plat gedrukt. Hij stiet gorgelende geluiden uit, maar niemand lette op hem. Een andere soldaat gilde van angst en ging op de mans zijn nek staan. Het lichaam op de vloer verslapte.

Nakar stompte een man bij de deurpost hard in zijn maag en wurmde zich door de smalle kier. De vlammen eisten opnieuw een slachtoffer op. De kapitein had het gevoel alsof zijn rug geschroeid werd, zo erg was de hitte die in het vertrek verteerde.
Hij rende de gang op, van alle kanten kwamen mensen in slaapkleding aanstrompelen. Nakar liet zich meevoeren door de menigte, tijdelijk doof door het gebrul van de vlammen. Meerdere vertrekken die uit kwamen op de gang werden nu verteerd door het vernietigende vuur.

Plotseling denderde er een nieuwe gedachte door zijn hoofd. De koningin! Zij zat ingesloten op de eerste verdieping. Het vuur had zich nu al verspreid over een groot deel van de begane grond.
De kapitein draaide zich resoluut om en worstelde tegen de stroom in. Hij kreeg handen in zijn gezicht, een paar keer werden bijna zijn ogen uitgeprikt en iemand haalde wild zijn wang open. Tanden op elkaar klemmend, werkte hij zich een weg door de mensen die gek van angst waren. De trap! Naar de vertrekken op de eerste verdieping. Hij brak door de mensenmassa heen en staarde naar een vuur dat de toegang tot de trap versperde. Er zat niets anders op. Nakar hapte naar adem en sprong door het vuur heen. Hij belandde met een harde klap tegen de treden. Snel doofde hij de kleine vlammetjes die aan zijn kleren likten en haalde opgelucht adem.

Boven op de overloop twijfelde Nakar even. Aan zijn beide kanten strekte zich een gang uit, de koningin kon zowel rechts als links slapen. Plotselings kraakte een slaapkamerdeur in de linkergang, een explosie van vuur volgde die de deur uit haar voegen blies. Gillend rende een dienstmeisje de gang op en stormde de trap af.
Hij besloot de rechtergang te nemen, in de hoop dat het de juiste gang was en de vlammen haar nog niet hadden bereikt. Misschien wílde hij wel dat het de rechter gang was. Eén voor één gooide Nakar de deuren van de kamers en wierp haastig een blik te kamer in. Geen bekend gezicht. Bij één kamer keek hij recht in het verbaasde gezicht van een jonge vrouw die maar half haar nachtkleding aanhad. Op het bed achter haar, kwam een rood hoofd met krullen van onder de lakens vandaan. De gardekapitein nam niet de tijd om zich te verontschuldigen, maar haastte zich naar de volgende kamer. Het gebrul van de vlammen die ook de eerste verdieping hadden bereikt, spoorde hem aan sneller te rennen. De laatste kamer, de laatste deurklink in de rechtergang. Zijn hand pakte de deurklink vast. Had hij dan toch de verkeerde gang gekozen? Lag zijn koningin in de andere gang? Vlammen beslopen.
Nakar gooide de deur en daar lag de koningin. Haar houten bed was bedekt met rozenblaadjes, de sterke geur kwam hem tegemoet en prikkelde zijn neus. Ze was in de meest miserabele staat waarin Nakar haar ooit had gezien. Haar door de war, donkere kringen rond haar ogen en kleding gekreukeld en gescheurd. De lakens lagen maar half over haar heen. Nakar twijfelde, maar liep de kamer in en tilde de koningin op. De sterke geur van drank omringde hem. Ze kreunde en knipperde met haar ogen, maar leek weer in roesslaap terug te vallen. De koningin leunde zwaar om hem en haar krachteloze ledematen bungelden er een verloren bij. Half over zijn brede schouders geslagen, half vast geklemd bij haar middel rende Nakar de kamer uit, de gang weer in. De hitte was bijna niet te verdragen voor de menselijke huid, de gardekapitein had het gevoel alsof hij op brandende kooltjes liep.

Het vuur kwam als een razende inferno op hen afrollen, alles vernietigend in zijn weg. Niks leek bestand tegen de kracht. Zijn oren suisden, hij had het gevoel alsof hij langzaam doof aan het worden was. Er leek een beetje kracht terug te keren in de armen. Vrouwe Rowena opende langzaam haar ogen en keek het hoofd van haar garde verdwaasd aan. Dikke zweetdruppels parelden van zijn slapen naar beneden over zijn wangen en verzamelden zich op het puntje van zijn kin. Hij schreeuwde iets naar zijn koningin, maar het ging verloren in het brullen van de vlammen. De kapitein klemde zijn kaken op elkaar, nam een aanloop en sprong dwars door de inferno heen. Beschermend had hij zijn armen voor zijn gezicht geslagen. Hij stormde de trap af, het hout kreunde bij iedere stap. Eenmaal bleef Nakar haken, zijn voet dwars door het hout heen getrapt. Hij voelde hoe een scherpe houtsplinter in zijn hiel gedreven werd, maar hij besteedde er verder geen aandacht aan. Onderaan de trap nam hij opnieuw een risicovolle sprong. De landing liep bijna fout af, de gardist wankelde, uit zijn evenwicht gebracht door de ongewone ballast. Hij herstelde zich net op tijd, maar voelde wel een scherpe pijn door zijn enkel gaan. Tanden op elkaar geklemd, de pijn verbijtend strompelde Nakar verder. Hele ondersteuningsbalken van het plafond lieten los en stortten brandend neer. Zijn huid werd geschroeid, maar hij was schor van het schreeuwen en kon geen geluid uitbrengen voor de pijn die hij ervoer. Zijn tong was een lap leer, zijn lippen zaten vol barsten en scheuren. Bloed liep in kleine druppels over zijn kin, vermengd met zweet.

Achteraf kon Nakar niet meer navertellen hoe hij de laatste paar meters in het brandende huis had afgelegd. Het was verbazingwekkend, vonden zijn gardesoldaten, dat hij het hele huis had doorkruist om de koningin te redden en dan ook nog heelhuids het landhuis kon ontvluchten. “Voelde het lekker, de koningin tegen je aan?” had een brutale jonge soldaat gevraagd. Nakar had hem grijzend een oorvijg gegeven.
Hij kon zich later slechts de welkome omhelzing van de koude nachtlucht op zijn geteisterde huid herinneren en verkoeling van het vuur binnen in hem...

***

De wachters voor de koninklijke slaapvertrekken sprongen in houding en salueerden. Met enkele lakeien achter zich aan, opende koning Viras de deur. De koningin lag in een groot hemelbed in het midden van de kamer. Zonnestralen drongen gedempt de kamer binnen. De middag liep tegen zijn einde, langzaam daalde de zon van de hemel af. Bij het grote bed zat een kleine, gebogen man op een krukje. Hij plukte nadenkend aan zijn puntbaardje, en staarde over de rand van zijn bril naar de vrouw in het bed. Hij keek niet op, toen de koning naast hem kwam staan. Lange tijd keken de twee naar het slapende figuur van de koningin.
Koning Viras zuchtte, wendde zich af en liep naar het raam. Peinzend staarde over de stad uit, zijn stad, het rijk der mensen. De koninklijke arts controleerde de temperatuur van zijn patiënt en knikte glimlachend.
‘Maak je geen zorgen, Majesteit.’ Zijn stem was nauwelijks een fluistering. ‘Ze had slechts brandwonden en was over vermoeid toen zij hier binnen werd gebracht...’ Te wijten aan te veel sterke drank, wou de arts eraan toevoegen, maar hij deed het niet. ‘Ze zal zo ontwaken. Ze is er goed afgekomen, mijn koning.’
De koning knikte en zei: ‘Je verdiensten zullen rijkelijk beloond worden. Je kunt gaan, Ignacio.’
De arts boog diep voor de koning en verliet geruisloos het vertrek. Viras had zich niet bewogen, maar had via het raam de bewegingen van de arts gevolgd. Nu hij alleen in het vertrek was, liep hij naar bed. Zijn handen vonden die van Rowena en hij begon over ze te wrijven, in een poging ze te verwarmen. Meewarig glimlachte hij om zijn eigen schamele poging.

Lange tijd zat koning Viras zwijgend bij zijn vrouw. Hij hield haar handen vast en wachtte totdat ze zou ontwaken. Zijn gedachten waren elders, hij bedankte de machtige godin Naea, dat zijn vrouw gespaard was gebleven. Bijna twintig bedienden, vooral van huishouding van de koopman, waren er veel minder goed afgekomen. Sommige waren compleet verrast door het vuur en levend verbrand, anderen waren dood gedrukt in de chaos die tijdens de brand was ontstaan. Koning Viras bedankte in stilte ook de kapitein van de koninginnegarde, Nakar, voor zijn heldhaftige optreden. Die kon in principe nu met pensioen gaan, er was hem genoeg geld geschonken om de rest van zijn leven in luxe te leven. Maar de kapitein was loyaal jegens de koningin en zijn eigen mannen en had zijn baan in het leger niet opgegeven.

De vrouw naast hem kreunde licht en draaide in haar bed. Haar ogen knipperden tegen het licht, ze vernauwden zich en de omgeving werd scherper. Ze glimlachte toen ze de zittende figuur naast haar herkende.
‘Viras,’ fluisterde ze, met schorre stem van de slaap.
‘Vrouwe,’ hij boog zich voorover en kuste haar lippen. Zijn vingers liefkoosden haar gladde haren en hij streelde haar voorhoofd.
‘Ik ben enorm geschrokken,’ vertrouwde hij haar toe. ‘Maar het komt nu allemaal goed.’
Vrouwe Rowena glimlachte slechts en beantwoordde zijn kus. Ze zakte weer achterover in de kussens en zuchtte diep. De vraag die haar man haar wou gaan stellen, was van zijn lippen af te lezen.
‘Ik weet het niet meer,’ begon ze aarzelend. ‘Ik herinner me nog de heerlijke maaltijd met die koopman, Liandro. Daarna at ik mijn dessert op een sofa, ik geloof dat ik hem iets vertelde over zijde en juwelen... En daarna is alles vaag. Het volgende moment lig ik in een koets en informeren stemmen mij over een verwoestende brand, waar ik bijna het slachtoffer van geworden was. En.. daarna..’ Ze knipperde met haar wimpers, terwijl ze wanhopig probeerde te herinneren wat haar was overkomen. ‘Niets. Ik weet het niet meer. Ik kan mij werkelijk niks herinneren.’
Niets, dacht de koning. Het was eigenlijk niet eens zover van de waarheid af geweest. Ze was inderdaad in de koetsrit terug naar het paleis buiten bewustzijn geraakt.
Troostend drukte de koning vrouwe Rowena tegen zijn borst en sloeg een arm om haar heen.
‘Stil maar, lief. Alles is weer goed. Je bent hier veilig. Zo’n ongeluk zal jou niet nog eens overkomen.’ Hij klopte onhandig op haar rug, alsof ze een klein kind was.
De koningin vermande zich en droogte haar tranen af. Ze klopte de kussens op, zodat ze een goede steun voor haar rug vormden. Opnieuw keek ze koning Viras aan, maar nu was haar blik zelfverzekerder. Glimlachend stond hij op en wou het vertrek verlaten. Vrouwe Rowena riep hem na en vroeg hem Nakar te ontbieden. Ze wou het verhaal uit de eerste hand horen.

***

Precies een half uur later werd er beleefd op de deur geklopt. De koningin gebood de gardekapitein binnen te treden, die dat met een plechtige frons op zijn gezicht deed. Hij boog diep en liep toen naar de rand van haar bed. Daar wachtte hij met zijn handen op zijn rug totdat de koningin het woord zou nemen.
‘Dank je, Nakar. Je bent een goede kapitein en je kent je plicht. Ik zal je nogmaals rijkelijk belonen voor je loyaliteit en trouw. Zonder jou zou ik nu..’ Ze rilde even.
Nakar boog. ‘Het is een eer om U te mogen dienen, mijn koningin.’

Vriendelijk klopte vrouwe Rowena op de lakens naast haar. ‘Ga zitten, kapitein.’ Voorzichtig ging de gardekapitein zitten, zijn handen gevouwen in zijn schoot.
‘Mijn herinneringen van die avond zijn.. nogal onduidelijk en verwarrend. Ik herinner mij slechts fragmenten van het diner met Liandro en daar helemaal niets meer. Graag zou ik van jou willen horen, wat jij die avond hebt beleefd.’ Ze legde zacht een hand op zijn arm, omdat ze begreep dat hij liever niet meer terugdacht aan de gebeurtenissen van die avond.
Hij slikte even, maar begon toch.
‘Na onze aankomst op het landhuis, heb ik de mannen opgezocht in de keuken. We begrepen van de bediening van de heer Narosson, dat U in goede handen was. Dus waarom zouden wij aan de woorden twijfelen van een goede vriend van U?’ Hij sprak zachtjes, stopte soms even om zijn gedachten te ordenen. De koningin knikte beleefd en wachtte rustig af totdat hij zijn verslag weer zou vervolgen.
‘Ik ging dus bij de mannen in de keuken zitten en daar hebben wij wat gedobbeld. Onder het genot van een aantal rondjes bier.’ ‘En jij?’ onderbrak vrouwe Rowena hem. ‘Ik heb niks gedronken, ik moest mijn hoofd helder houden, mijn koningin.’ Ze knikte.
‘Rond elf uur ’s avonds kwam er een lakei van de heer Narosson de keuken binnen. Hij melde ons, dat U had besloten de nacht door te brengen in het landhuis. U zou niet meer terugkeren naar het koninklijke paleis.’ De koningin fronste, maar sprak verder niet.
‘De mannen zijn uiteindelijk rond middernacht of iets later gaan slapen. Ik bleef alleen achter, omdat ik nog niet kon slapen. Toen brak die brand uit.’
‘Ten tijde van de brand was je dus in de keuken? Heb je niks gemerkt?’
‘Nou, eigenlijk.’ De kapitein schuifelde onrustig heen en weer, bij de gedachte aan de waakhonden en hun jacht.
‘Ik stond op het punt te gaan slapen, ik lag in mijn bed toen die verschrikkelijke brand uitbrak. Zo snel mogelijk heb ik geprobeerd de mannen te wekken, maar iedereen raakte in paniek en vluchtte voor het vuur.’ Een lichtje blos verscheen op zijn wangen.
‘Paniek? De garde?’ Nakar knikte, zijn hoofd gebogen. Hij keek op, zijn blik kruiste die van de koningin.
‘Er is nog één detail dat ik U wil vertellen. Niemand anders nog heb ik het verteld, omdat ik vond dat U het eerst moest horen.’
‘Vertel, kapitein Nakar.’ Haar stem was zacht, maar toch zat er nog een zekere autoriteit in.
‘Nadat de mannen al vertrokken waren, zat ik nog aan de keukentafel. Een beetje in gedachten verzonken, ik kon de slaap niet vatten. Plotseling hoor ik ineens het gehuil van waakhonden. Ik sluip naar het raam, mijn ogen wennen aan de nacht. Dan ineens onderscheid ik in de tuin van de heer Narosson een merkwaardige jacht.’
‘Jacht? In het duister?’
De kapitein knikte en zei. ‘De waakhonden van de koopman joegen achter een donker figuur aan. Niet goed te herkennen in de nacht, bovendien,’ voegde hij er aan toe, ‘belemmerden de bomen het zicht en daardoor weet ik niet hoe die jacht afgelopen is.’ Hij huiverde. ‘Wat deed die figuur midden in de nacht in de tuin van de koopman? Was het een dief?’
Het was een tijdje stil. Beide dachten na over dit merkwaardige raadsel, waar geen logische verklaring gegeven voor kon worden.
‘En Liandro?’ Kapitein Nakar schrok op uit zijn gedachten. ‘He? Excuseer mij,’ haastte hij zich te zeggen. ‘De heer Narosson ving ons, na de ontsnapping uit het landhuis, bij de poort op. Hij vertelde mij dat hij nog net op tijd gewaarschuwd was door een bediende. Hoewel hij erg geschokt was door de gebeurtenis in zijn huis, toonde hij toch erg veel bezorgdheid voor Uw gezondheid, koningin.’
Vrouwe Rowena glimlachte. ‘Dank je, Nakar. Nogmaals, het feit dat ik hier nog lig heb ik aan jouw moed te danken.’
Nakar stond op, salueerde naar de koningin en liep het vertrek uit. De koningin bleef alleen achter met haar gedachten. Ze zuchtte diep en liet zich achterover vallen in de kussens.

Het bleef gek, dacht ze. Een brand op het landhuis van Liandro. Zijn bedienden hadden helemaal niks gemerkt, maar een brand kon je toch niet over het hoofd zien? Het landhuis was bovendien goed beveiligd. Magische spreuken waren door de voornaamste magiërs in de stad over zijn huis uitgesproken. Liandro had me eens verzekerd dat zijn huis onaantastbaar was. Niet te vernietigen...
Die brand leek onverklaarbaar. Het winterseizoen was ingevallen, eergisteren had het zelfs gesneeuwd. De zon komt vroeg op en gaat vroeg weer onder. Korte dagen. Hoe kan dan een brand ontstaan? Het kon haast niet door natuurlijke factoren veroorzaakt zijn.

Des te langer de koningin na dacht over de brand, hoe meer twijfels en vragen zich opstapelden. Ze schraapte haar keel en riep een lakei. Met het bevel de koning naar haar te
sturen, liep die de gangen van kasteel Earlon in.

Even later kwam koning Viras met flinke passen het vertrek binnen. Hij had een rode blos op zijn wangen, zijn blik stond bezorgd. De uitdrukking verzachtte toen hij zag dat er niks aan de hand was met zijn vrouw. Terwijl hij ging zitten op de bedrand en zijn vrouw vragend aankeek, klopte hij zorgvuldig de stofjes van zijn mantel af.
‘Viras, mijn geliefde echtgenoot,’ begon ze, ‘ik heb het verslag van kapitein Nakar gehoord, ik weet wat er met mij is gebeurd. Ik ben zeer blij dat ik nog leef. Dat landhuis had zo mijn graf kunnen zijn.’
‘Spreek op, vrouwe, wat is er aan de hand?’ onderbrak hij haar. De vluchtige glimlach op zijn gelaat verzachtte de woorden.
‘Ik zit met onbeantwoorde vragen en raadsels over de brand, mijn geliefde echtgenoot.’ Koning Viras haalde zijn schouders op en zei. ‘Je mag blij zijn dat je nog in leven bent. Laat deze gebeurtenis achter je, het zal je nooit meer gebeuren. Je hoeft je bovendien ook niet schuldig te voelen om de heer Narosson. Ik heb hem persoonlijk een flinke schadevergoeding uit betaald, hij is een slimme zakenman en zal al snel weer winst boeken. Maak je geen zorgen, Rowena.’
Maar de koningin liet de twijfel niet zo snel uit haar hoofd praten.
‘Toch blijf ik van mening dat de brand onverklaarbaar is. Hoe kan midden in de winter, een brand ontstaan? Zijn landhuis is magisch beveiligd tegen zulke ongelukken! Hij woont in een rijke buurt, er is daar nog nooit brand geweest.’
‘Tot gisteren,’ voegde de koning er aan toe. Hij haalde zijn schouders andermaal op en keek zijn vrouw sceptisch aan.
‘Viras, zou je een onderzoek kunnen instellen? Om de reden voor de brand te vinden?’
‘Vrouwen,’ mompelde de koning. ‘Goed, een onderzoek.’ Hij keek haar streng aan. ‘Maar het zal slechts bevestigen wat ik al weet.’
Gepikeerd stond hij op en liep naar de deur. Daar draaide hij zich nog eenmaal om. ‘Ik stel wel een groepje soldaten samen, die het onderzoek zullen uitvoeren. Samen met jou.’ De deur werd gesloten.

***

Een vlaag ijskoude wind zwiepte over het grasland. De weinige zonnestralen lieten de dauwdruppels glinsteren in het ochtendlicht. Wolken joegen langs de hemel. Koningin Rowena rilde en trok haar bontjas dichter om zich heen. Voor haar lag de ruïne die twee dagen nog een prachtig landhuis was geweest. Nu stond slechts een asgrauw skelet overeind. Het gras rond om het afgebrande gebouw was volledig weg geschroeid. De geur van as en verbrande huid hing in de lucht, het werkte op haar maag. De lichamen van de bedienden, omgekomen in de brand, waren naar de grote begraafplaatsen gebracht. Toch sluimerde de dood hier nog. Ze rilde opnieuw, niet alleen door de kou.

‘Majesteit?’ Nakar salueerde.
‘Ja, kapitein Nakar?’ Met grote moeite rukte ze haar blik van de ruïne af en keek ze haar gardekapitein aan.
‘Ik breng verslag van het onderzoek.’
‘Vertel, kapitein.’ Haar gezicht verried niets van de nieuwsgierigheid die ze voelde.
‘Het landhuis is compleet afgebrand. Slechts het skelet van het huis staat nog overeind. De bodem is bedekt een flinke laag as. Hier en daar hebben wij nog een gebruiksvoorwerp gevonden. Maar geen enkele aanwijzing naar de mogelijke oorzaak van de brand, koningin.’ Vrouwe Rowena knikte en zuchtte. Hier was ze al bang voor geweest. Het vurige inferno had inderdaad al het bewijsmateriaal vernietigd. Misschien was haar gevoel over deze zaak toch niet juist geweest.
‘Jullie hebben verder geen voorwerpen gevonden?’
‘Nou.. tja.’ Onrustig schuifelde Nakar heen en weer. ‘We hebben wel één voorwerp gevonden. Een dier eigenlijk.’
De koningin trok één wenkbrauw omhoog.
‘Een waakhond. In de sneeuw. Dood. Maar die doet er niet echt toe--.’
‘Breng mij naar het dier.’ Haar gezicht was een stalen masker.

De koningin volgde de kapitein terwijl hij haar meenam door de tuin heen, naar de achterkant van het huis. De tuin was hier ruiger begroeid. Het gras stonden hoger, talloze bomen en planten waren spontaan ontsproten. Er lag nog sneeuw, omdat het bladerdak het meeste zonlicht afschermde. Nakar leidde haar naar een groepje soldaten die gebogen stonden over een dier. De soldaten salueerden beleefd, toen ze zich bij hen voegde.
De lege ogen van de waakhond staarde haar aan en leken dwars door vrouwe Rowena heen te kijken. Het dier lag op zijn zij, voorpoten in een vreemde, verdraaide stand. Net alsof het in de sprong onderbroken was en het leven had gelaten. De bruine vacht was vuil van de modder en sneeuw. Het dier lag hier duidelijk al een hele tijd.
‘Dood gevroren?’ vroeg ze op vlakke toon.
‘Waarschijnlijk wel ja,’ één van de gardesoldaten knikte.
‘Neem het dier mee en begraaf het ergens waar de grond minder hard is.’ Ze draaide zich al om, niet langer in staat om naar de dode hond te kijken. Ze hoorde een grom van verrassing achter haar. Half draaide ze zich om. Kapitein Nakar tikte beleefd op haar schouders.
‘Majesteit, kijkt U hier eens naar.’ Hij wees naar de plek waar het dier zonet nog had gelegen. Plats gedrukt door het zware lichaam, lag een klein lapje stof. Een soldaat raapte het op en gaf het haar. De koningin bestudeerde het aandachtig.
‘Bont,’ concludeerde ze. Het stukje stof woog nauwelijks iets, maar was toch dik en sterk. Goed materiaal voor een mantel.
De soldaten hadden de waakhond een meter verderop weer neer gelegd, maar nu met de andere zijde van het dier naar hen toe gekeerd. Ze besteedden verder geen aandacht aan het dier, maar waren druk bezig met het graven van een gat. Er viel haar iets op aan de waakhond. Een rode vlek had zich over de vacht verspreid. De koningin deed een stap naar voren en knielde bij het roerloze karkas. De stank van verrotting overwelfde haar. Ze kuchte, maar stak vastberaden een hand uit. Haar vingers betastten de vacht en ontblootte een gapende wond in de zij van het dier. De rode vlek die ze van een afstand had gezien was in feite gestold bloed. Nakar knielde naast haar neer en wierp een blik op de wond.
‘Gedood door een dolk of een mes. Niet dood gevroren.’ Hij keek naar het lapje in haar hand en knikte. Ze volgde zijn blik en dacht hetzelfde. Dat verband had ze ook al gelegd.
‘Begraaf het dier,’ herhaalde ze haar bevelen. ‘We gaan naar Twyling, de grootste stofhandelaar in de stad.’

***

‘Hm, inderdaad een interessant stukje bont.’ De dikke vingers van de stofhandelaar gleden over de stof. Hij testte het gewicht, gooide het omhoog en liet het weer neerdwarrelen op zijn handpalm. De stoel kraakte terwijl zijn zware lijf verschoof. Twyling prutste aan het bont, hij rukte er even hard aan en mompelde wat in zichzelf.
‘Eigenaardig.’
De koningin zat ongeduldig in de stoel voor het bureau en keek de handelaar streng aan. Maar hij scheen het niet te merken. Langzaam bracht hij het stofje naar zijn neus en snoof de geur op.
‘Juist ja.’ Terwijl hij mompelde, blubberde zijn dikke onderkinnen mee. Nadat hij het lapje langs zijn kin had gestreken om de zachtheid te testen, schoof hij het weer naar de koningin toe.
‘En?’ vroeg vrouwe Rowena ongeduldig.
De stofhandelaar trommelde met zijn vingers op het bureau, pakte zijn boekhouding en verdiepte zich daarin. Vrouwe Rowena verschoof even op haar plaats, expres een geluid makend om Twyling te attenderen op haar aanwezigheid. Hij reageerde niet, zijn kraaloogjes schoten langs de regels in zijn boek.
Ze schraapte haar keel en deed zichtbare moeite zich te vermurwen. Op vlakke toon wist ze haar vraag te herhalen.
‘Weet U waar dit stukje bont vandaan komt?’
Kleine straaltjes zweet liepen over de wangen van de stofhandelaar. Met een zakdoek dempte hij zijn voorhoofd en haalde hijgend adem.
‘Van een mantel. Juist ja.’ Zijn blik schoot rusteloos door de kamer.
De koningin verloor haar geduld. ‘Twyling Jaredszoon, in naam koning Viras, waar komt dit stukje bont vandaan? Uit welke streek van Tarallon komt deze stof?’
‘Ik weet het niet, majesteit,’ piepte de stofhandelaar, zijn gezicht paars aanlopend. De koningin rees op van haar stoel en maakte een gebaar. Vanuit de hoek van het vertrek trad kapitein Nakar naar voren. Hij trok zijn korte zwaard en liep, zwaard opgeheven, op de koopman af. Die deinsde achteruit en probeerde weg te duiken. Nakar pakte de man bij zijn kraag en drukte het staal in de vetlagen. Net niet hard genoeg om hem te verwonden.
‘Als U het antwoord niet in een conversatie wilt geven, dan op deze manier maar. Voelt U de kus van het staal? De verlangende omhelzing?’ Haar lippen waren een dunne streep en haar woorden kwamen aan als zweepslagen.
‘Uit de oostelijke streken, uit de Thoirlanden. Het is de vacht van een bergmarmot, een zeldzaam dier.’ Hij hijgde en zijn kaken klapperden op elkaar.
Nauwelijks merkbaar knikte de koningin. Haar vermoedens waren bevestigd. Ze richtte haar woedende blik opnieuw op de man.
‘En welke klanten zijn geïnteresseerd in deze stof?’ Twyling slikte, zijn adamsappel bewoog fanatiek. Hij stamelde iets onsamenhangend en Nakar drukte zijn zwaard iets dieper in de keel van de man. Een druppeltje bloed kroop over het lemmet.
‘Eén klant.’ Trillend stak hij een wijsvinger op, om zijn woorden kracht bij te zetten.
‘Naam? Geef antwoord!’
Twyling boog zijn hoofd en stamelde de naam. Het woord trof vrouwe Rowena als een orkaan. Een stortvloed van emoties overweldigde de koningin en sleurde haar mee de diepte in. Ze zakte verslagen in haar stoel, wit weggetrokken in haar gezicht.
‘Hoe is het in Adana’s naam mogelijk?’ fluisterde ze schor. De wereld draaide, steeds sneller. Ze verloor grip. De harde waarheid deed haar keel dichtknijpen, was verstikkend. Ze hijgde.
‘Majesteit? Vrouwe Rowena? Rowena?’ De stem kwam van heel ver. Wanhopig klemde zich daaraan vast, worstelde en viel...De naam echode in haar gedachten..
Nakar zag de koningin vallen.

***

Vrouwe Rowena knipperde met haar ogen en keek verdwaasd om zich heen. De wereld leek te deinen op een eindeloze golfbeweging. Langzaam onderscheidde ze diepte. De silhouetten verscherpten en kwamen dreigend op haar af. Plotselings drong het besef van realiteit door.
‘Waar ben ik?’ Mompelend en onsamenhangend kwamen de woorden uit haar mond. De man op de bedrand draaide zich om, hun blikken ontmoetten elkaar.
‘Tweemaal, Rowena. Dit is de tweede keer in korte tijd. Ik laat je niet meer gaan. Volledig herstellen zul je.’ Hij nam haar in een innige omhelzing. Ze rook de vertrouwde geur en zuchtte in zijn armen. Een gevoel van veiligheid overspoelde haar.
‘Je was opnieuw buiten bewust zijn geraakt. Bij die stofhandelaar in de stad. Kapitein Nakar heeft je onmiddellijk hier naar toe gebracht. Ignacio vertelde dat je te vroeg weer uit bed bent gestapt, je was nog verzwakt door die brand. Mentaal verzwakt.’
De herinnering van het bezoek aan de stofhandelaar kwam weer boven drijven. Scherp en glashelder. En de naam. Het bewijs dat die persoon het was geweest, die de hond had vermoord. Het bewijs dat het die ene persoon was geweest, die Nakar door de tuin had zien rennen. Rond middernacht. In die paar seconden nadat Twyling de naam van zijn klant had uitgesproken, had ze die verbanden gelegd. En het verband naar de brand. Naar de brandstichting. Het had haar geduizeld, zo erg dat ze buiten bewustzijn was geraakt. Maar nu wist ze het weer. Die ene klant van Twyling was tevens de dader, die zij gezocht had.
De koningin draaide zich half om in haar bed, zodat ze haar man recht kon aankijken.
‘Heeft Nakar je iets verteld over de resultaten van mijn onderzoek?’
De koning schudde zijn hoofd.
‘Goed. We hebben bij het huis van -’
Op dat moment klopte een lakei op de deur en stapte naar binnen. Hij boog diep voor het koninklijke echtpaar en kondigde met luide stem aan. ‘De heer Narosson is gearriveerd. Hij komt hare majesteit een bezoek brengen.’ Koning Viras wendde zich tot vrouwe Rowena.
‘Zo meteen, lief. Eerst moeten wij ons bezoek ontvangen. De koopman was erg ongerust toen hij het nieuws hoorde en wou je graag met een bezoek vereren.’ Hij gebaarde de dienaar dat hij de gasten binnen mocht laten. De koopman en zijn dochter traden binnen en bogen nederig. Hartelijk begroette koning Viras Liandro Narosson en gaf de dochter een handkus. Het uiterlijk van de Liandro’s dochter wekte onmiddellijk achterdocht op bij vrouwe Rowena. Ze was luchtig gekleed, een dun jurkje rond haar smalle lichaam. Haar blonde krullen opgestoken met een diamanten speld, haar huid licht gepoederd. Zelfs vanuit haar bed kon de koningin de zware lucht van parfum ruiken. De manier waarop ze bloosde toen de koning haar een handkus gaf. Het was te opzichtig. Het laatste puzzelstukje viel ook op zijn plaats in het mysterie. De volledige, ontzaglijke waarheid drong tot haar door.
‘Wachters!’ schreeuwde de koningin. De deur klapte open en drie soldaten stormden naar binnen. Verbaasde blikken werden op haar geworpen.
‘Neem Liandro Narosson gevangen en voer hem weg!’ Zonder aarzeling volgde de soldaten de bevelen op.
‘Wat? Rowena?’ barstte de koning los. ‘Waar slaat dit op? Je kunt onze gasten niet gevangen nemen!’ De koningin negeerde de tirade van haar man en hief beschuldigend een vinger op naar de koopman.
‘Jij! De laatste persoon van wie ik het van had verwacht. Maar desondanks is het de waarheid. Liandro, ik heb je spel door.’ Koning Viras vloekte en beviel de wachters de koopman weer los te laten.
‘Nee! Je snapt het niet koning Viras. Liandro Narosson was het die de brand heeft aangestoken! ’s Avonds tijdens het diner heeft hij mij dronken gevoerd, en naar de eerste verdieping gebracht. Een vlucht uit het landhuis zou dan aanzienlijk moeilijker worden. Rond middernacht, terwijl alle bedienden lagen te slapen, sloop hij zijn landhuis uit. Buiten ontstak hij de brand, die mij binnen in het huis, zou doden. Juist Liandro,’ zei ze, bij het zien van de ontreddering op zijn gezicht. ‘Maar de waakhonden werden gewekt door het snel verspreidende vuur. Wild en gek van angst joegen ze achter de enige persoon aan in de buurt. Onze onfortuinlijke Liandro.’ Het sarcasme droop van de woorden af. De koning staarde verbijsterd naar zijn vrouw. De dochter van Liandro was in luide snikken uitgebarsten. De koopman zelf probeerde wanhopig vrij te komen uit de greep van de soldaten.
‘Bewijs het eens, laat je bewijsmateriaal zien!’ daagde hij haar uit. Hij spoog op de grond.
‘De waakhonden joegen achter Liandro aan,’ vervolgde de koningin haar verhaal, ‘en om ze af te schudden moest hij er wel een hond doden. Helaas had het dier zich aan een stuk mantel vast gebeten. Het mooie bont scheurde en bleef achter bij het lijk van de hond. Jammer genoeg voor onze koopman viel dat niet op in het donker. Hij zette zijn vlucht voort en bereikte als eerste de poort van zijn tuin. Daar ving hij kapitein Nakar op, die mij had gered uit het brandende huis. Het plan van de sluwe koopman was mislukt. Hij had gefaald mij te vermoorden. Het pleit wel voor hem dat hij een goede toneelspeler bleef en zijn gezicht in de plooi hield.’
‘Jou vermoorden? Waarom?’ onderbrak de koning haar verhaal. Vrouwe Rowena glimlachte zelfgenoegzaam en liet haar blik over het maagdelijke lichaampje van de koopman’s dochter gaan. ‘Mijn dood zou jou tot een weduwnaar maken. Een jonge bovendien. Er zou nog genoeg tijd zijn om te hertrouwen. Zo’n jongedame als zij, zou de uitstekende tweede vrouw vormen. Een dochter getrouwd met de koning, zou de macht en invloed van onze koopman in het rijk enorm doen toenemen. Hij zou - na de koning - de machtigste man in het rijk worden. Alleen ik stond in zijn weg.’
‘Vermoedens. Domme intuïtie van een vrouw. Kom met concrete bewijzen.’ Liandro’s ogen spuwden vuur, zijn gezicht was vertrokken van woede.
‘We vonden het lijk van de waakhond deze ochtend. Inclusief het lapje stof, het bont van een bergmarmot. Stofhandelaar Twyling heeft ons verder geholpen en vertelde de naam van de enige klant, geïnteresseerd in deze zeldzame bont. Liandro Narosson.’ De laatste woorden hadden al het verzet uit de koopman weg geslagen. Hij liet zijn hoofd hangen.
‘Voer Liandro Narosson, erelid van het koopmansgilde, weg,’ beval koning Viras. Hij liep langzaam door het vertrek en knielde neer. ‘Rowena, mijn geliefde. Je vertelt de waarheid..’

_________________
Delegation: a policy where you find a person and make their life hell untill everything happens the way you want it.

Used by managers and some notable Gods
Haplo
Haplo is offline Door Haplo - Friday 15 April, 2005 14:45  Bekijk gebruikersprofiel Reageer met quote   MSN Messenger  

van dit verhaal snapte ik ook niet waarom het zo laag is geeindigd, het stond in mijn top vijf en ik weet niet meer zeker of ik het als derde, vierde of vijfde heb laten eindigen.
iig wel een goed verhaal, wat naar mijn mening heel wat hoger mocht eindigen!

_________________
The greatest trick the Devil ever pulled was convincing the world he didn't exist
Tinúviel
Tinúviel is offline Door Tinúviel - Friday 15 April, 2005 17:18  Bekijk gebruikersprofiel Reageer met quote     

Het basisidee voor het verhaal vond ik niet slecht, alleen kon het me niet bovenmatig boeien. Ten eerste was het vreselijk voorspelbaar (al van in het eerste deel wordt duidelijk wie de slechterik is, naar de lezer toe lijkt Rowena’s tweede flauwvallen dan ook heel overdreven), ten tweede was de inhoud te veel voor het aantal woorden. Regelmatig doet het verhaal aan een samenvatting denken, wat de spanning niet bepaald ten goede komt.
Ook is het niet altijd geloofwaardig. Nakar wie het met veel vertraging te binnen schiet dat de bediende nogal verdacht keek, die verantwoordelijkheid genoeg heeft om niet te drinken maar wel zijn eigen soldaten opzij stampt en in het vuur achterlaat, de koningin die zelf op onderzoek uitgaat... Andere kleinere dingen vond ik ook niet altijd genoeg uitgewerkt. Wat is nu precies de relatie tussen de koning en de koningin? Ik ben er nog altijd niet uit of ze nu dol zijn op elkaar of een meer zakelijke relatie hebben. Waarom zou de koningin helemaal alleen bij een rijke koopman gaan eten? Hoe staat ze tegenover hem, kent ze hem al lang? Hoe weet Nakar de gastenvertrekken en zijn bed zo slaapdronken te vinden als de koningin normaal altijd zo mooi op tijd vertrekt en hij er dus normaal niet blijft slapen?

Je stijl daarentegen is helemaal in orde. Behalve aan een paar schrijffoutjes en aan het samenvattend karakter (wat ik meer onder het criterium verhaal reken) heb ik me nergens aan gestoord, dus dat is zeker positief.
Alleen vind ik het raar dat je zo vaak witregels tussen laat. Ik zou het persoonlijk enkel doen op de plaatsen waar jij drie sterretjes zette, ik vind dat het wat stoort bij het lezen, omdat het de indruk geeft dat er telkens een nieuw dele begint terwijl dat meestal niet zo is.

_________________
Wil je niet liever alleen maar worden geroepen, van onderaan de trap, door een lakei.
"Doornroosje! Honderd jaar! Wakker worden!"
Je staat op en ik, nog maar halverwege, ga terug naar huis. Onverrichterzake. Desalniettemin. Alleen.
(Toon Tellegen)
Aduadariel
Aduadariel is offline Door Aduadariel - Friday 15 April, 2005 18:38  Bekijk gebruikersprofiel Reageer met quote     

Commentaar: De verhaallijn is goed, maar erg voorspelbaar. Je ziet al lang van te voren aankomen wie de dader is. Je verhaal las wel lekker weg.

Je hebt heel veel kleine foutjes, waardoor je zinnen niet allemaal lekker lopen. (Bijv.: “dempte de schemer die langzaam buiten inviel” )

Sommige stukken in je verhaal duren te lang, terwijl anderen eigenlijk weer te kort duren.

Je gebruikt heel veel bijvoeglijke naamwoorden, in mijn ogen af en toe te veel, maar in het tweede deel van het verhaal is dat al weer minder.

De karakters zijn niet allemaal geloofwaardig.
Rowena en Viras zijn geen geloofwaardige koningin en koning in hun gedrag, handelingen en hoe ze tegen elkaar praten
Waarom heb je Liandro’s dochter niet eerder geintroduceerd? Nu komt ze pas in de laatste regels het verhaal binnenvallen.

_________________
De tijd is aangebroken om hun duistere kunsten te tonen...
Déonyc Sénoriel
Déonyc Sénoriel is offline Door Déonyc Sénoriel - Friday 15 April, 2005 20:27  Bekijk gebruikersprofiel Reageer met quote   MSN Messenger  

Het verhaal zelf vond ik niet echt denderend. Het was, zoals al gezegd, vrij voorspelbaar.

Toch kon het me zeker ook bekoren, je stijl is zeker wel goed. Lekker beschrijvend, en dat er veel bn's in zitten vind ik wel aangenaam. Het is geen verhaal waarvan ik het een volledig boek zou uithouden om het te lezen, maar voor een kortverhaal kan dat best wel gaan.

Je charmeerde me door je stijl.

_________________
Smike me allmighty smiker!!!
seraphim
seraphim is offline Door seraphim - Saturday 16 April, 2005 1:08  Bekijk gebruikersprofiel Reageer met quote Bekijk de homepage    

Hier vond ik niet veel aan. Op zich is het wel een goed idee om fantasy met een whodunnit te combineren, maar dan moet het niet al van in het begin al duidelijk zijn wie het gedaan heeft. De personages zijn ook niet echt goed uitgediept, met de koning bijvoorbeeld had je zoals eerder gezegd veel meer kunnen doen. Het is duidelijk dat hij zijn vrouw niet gelooft, maar wat is dan zijn verklaring? En de relatie kan niet heel goed zijn als de koningin zich zo gemakkelijk laat verleiden, maar daar horen we verder niets meer over. Ik heb nog even gedacht dat de koning misschien opdracht had gegeven aan de koopman om te kijken of zijn vrouw trouw was, en haar te vermoorden als dat niet het geval was. Dat zou een hele hoop verklaren. Je stijl is niet slecht, en ik vind het zelf ook het moeilijkste om een geloofwaardige en evenwichtige plot uit te denken (zie de commentaar op mijn eigen verhaal), dus laat je door deze nogal strenge commentaar niet al te veel ontmoedigen.

_________________
It's sad that in our blindness we gather thorns for flowers (My Dying Bride)
whistler
whistler is offline Door whistler - Saturday 16 April, 2005 20:00  Bekijk gebruikersprofiel Reageer met quote Bekijk de homepage  MSN Messenger  

quote:
Musketier schreef op 02 March 2005 9:44:
Hij kon zijn ogen haast niet open houden, langzaam maar zeker verdwenen de twijfels en mysteries uit zijn gedachten. ‘Ik moet een bed vinden,’ mompelde hij en gaapte.Hij had toch niets gedronken?
Hij wankelde de gangen in, richting van de gastenvertrekken.

De kapitein sprong uit bed, terwijl als een wilde gebaarde en hard “Brand!” riep. Een aantal soldaten schoten wakker, maar keken eerst versuft naar het vuur. Toen drong het besef door en ook zij begonnen te schreeuwen. Soldaten zijn getraind om niet in paniek te slaan wanneer het erop aankomt. Wat nut hebben ze anders...

De lucht zinderde van de hitte. Nakar was als één van de eersten bij de deur. Hij trok ruw een zwaargebouwde man opzij, die de deur versperde. Hij moest hieruit komen! Hmm, erg Kapiteinachtig. Lijkt me niet het gedrag van iemand die zich duidelijk heeft moeten bewijzen om zulk een hoge positie te bekleden

Boven op de overloop twijfelde Nakar even. Aan zijn beide kanten strekte zich een gang uit, de koningin kon zowel rechts als links slapen. Plotselings kraakte een slaapkamerdeur in de linkergang, een explosie van vuur volgde die de deur uit haar voegen blies. Gillend rende een dienstmeisje de gang op en stormde de trap af. Nu pas? Het huis is al een hele tijd aan het branden. Waar was ze mee bezig?
Hij besloot de rechtergang te nemen, in de hoop dat het de juiste gang was en de vlammen haar nog niet hadden bereikt.

Beschermend had hij zijn armen voor zijn gezicht geslagen. Euh, hij had toch de Koningin vast Hij stormde de trap af, het hout kreunde bij iedere stap.

‘Maak je geen zorgen, Majesteit.’ Zijn stem was nauwelijks een fluistering. ‘Ze had slechts brandwonden en was over vermoeid toen zij hier binnen werd gebracht...’Weet je, vuur is niet eens het gevaarlijkste aan een brand. Je kan zonder meer dan enkele verbrande haren ontsnappen maar enkele uren later toch nog doodvallen door CO2 vergiftiging

Het was een tijdje stil. Beide dachten na over dit merkwaardige raadsel, waar geen logische verklaring gegeven voor kon worden.connectie tussen brand en weglopend iemand wordt niet eens geopperd

‘Dood gevroren?’ vroeg ze op vlakke toon. Vind ik nogal een domme assumptie. Een hond heeft een vacht en vriest heus niet zo snel dood. Wolven blijven wel de hele winter buiten en sterven toch niet uit? Bovendien kan ik me niet voorstellen dat het met een brandend huis in de buurt zo koud is geweest

Er viel haar iets op aan de waakhond. Een rode vlek had zich over de vacht verspreidde soldaten zien dit niet . De koningin deed een stap naar voren en knielde bij het roerloze karkas.

Nauwelijks merkbaar knikte de koningin. Haar vermoedens waren bevestigd.Kent ze zoveel van bont dat ze dat antwoord verwachtte? Ze richtte haar woedende blik opnieuw op de man.

Vrouwe Rowena knipperde met haar ogen en keek verdwaasd om zich heen. De wereld leek te deinen op een eindeloze golfbeweging. Langzaam onderscheidde ze diepte. De silhouetten verscherpten en kwamen dreigend op haar af. Plotselings drong het besef van realiteit door.
‘Waar ben ik?ik dacht dat de realiteit tot haar was doorgedrongen ’ Mompelend en onsamenhangend kwamen de woorden uit haar mond. De man op de bedrand draaide zich om, hun blikken ontmoetten elkaar.

‘De waakhonden joegen achter Liandro aan,’ vervolgde de koningin haar verhaal, ‘en om ze af te schudden moest hij er wel een hond doden. Hij wilt ze afschudden en stopt dus? Hmm, heel logisch...


Ik vond dit niet zo goed vrees ik. Dit kwam door de vele tegenstrijdigheden die er in mijn ogen inzitten. Daarnaast waren er ook tal van andere kleine foutjes.
wolvins
wolvins is offline Door wolvins - Monday 18 April, 2005 15:40  Bekijk gebruikersprofiel Reageer met quote     

Van die vonkjes in zijn ogen, kon zij haar ogen niet af houden. deze zin komt niet helemaal over zoals hij bedoeld is.
Dan kwamen er van die vonken in, waar ze haar ogen niet van af kon houden.


Hij grijnsde en hoopte dat zijn bedienden al zijn bevelen goed hadden opgevolgd
Of hij grijnsde en hoopte dat zijn bediende al zijn bevelen goed had opgevolgd.
of het een of de andere zin

Beschermend had hij zijn armen voor zijn gezicht geslagen kan dit terwijl hij de koningin in zijn armen vasthoud??

Het verhaal vond ik in sommige opzichten te voorspelbaar. Verders wel goed geschreven alhoewel ik niet kan voorstellen dat de koningin zelf op onderzoek gaat. En ook niet alles realistisch was, maar ach daarvoor is het fantasy
FR / Troubadours Hoek / Archief / Verhaal 14: De Brandende Geliefde
Nieuw Topic Nieuwe Reply
Ga naar:








Powered by phpBB © 2001, 2005 phpBB Group
Fantasy phpBB2 Theme by J.Y. Tuinhof (Fantasy Realm)