| Topic starter |
Topic: Verhaal 10: De Storm |
| |
Musketier You talking to I.R. ?
 |
Door Musketier (Admin + Fr legend 2010) - Wednesday 02 March, 2005 11:02 |
|
|
De Storm
(Verhaal: Athildur)
Hoofdstuk 1 – Ontvoerd
Gyalla staarde naar de steeds groener wordende hemel. De Storm kwam eraan, en dat was niets goeds. Desondanks was ze niet bang, zoals zoveel anderen. Ze was eerder gefascineerd door het spektakel. Het zag er prachtig uit, met duizenden tinten blauw, groen en zelfs al een beetje geel. Ze kon maar niet begrijpen waarom zo’n prachtig spektakel een voorbode kon zijn van een gruwelijke gruwelijk iets als de Storm. Sterker nog, ze wilde het niet eens begrijpen.
Ze bleef liever hier staan, wachtend, kijkend, terwijl de hemel langzaam aan geel begon te worden. Plots dacht ze even over vroeger. De verhalen die grootvader Garphon haar in haar jeugd had verteld waren altijd spannend, zo ook het verhaal over de Oude Tijden en de Storm. Het was ontstaan toen de grote magiërs en Psardoniërs er nog in groten getale waren. De leiders van Argonia hadden besloten dat de Bloedende Maagden uitgeroeid moesten worden, omdat men er zeker van was dat zij de oorzaak van alle ellende en problemen waren, die rond die tijden ongewoon veel voorkwamen. Ze waren beoefenaars van duistere magie, hadden de leiders gezegd. Tot aan die tijd hadden de Maagden de nodige invloed en macht verworven en er volgde een grote strijd. Vele magiërs, Psardoniërs en Maagden werden er gedood, maar uiteindelijk verloren de Maagden de strijd, tot op de laatste vrouw uitgemoord. Een hevige vloek werd ontketend, een vloek die al eeuwen geleden gesmeed was. Na onderzoek werd duidelijk, dat de vloek al meer dan duizend jaar bestond, en dat de Maagden met hun Salorian, een soort vrouwelijke magie, de vloek hadden onderdrukt. Vanaf dat moment deed de vloek elk half jaar zijn werk. Een gele storm, aangekondigd door een geel wordende hemel zou over het hele land razen, waar het dier noch plant noch gebouw aantaste. De vloek was gemaakt om mensen uit te roeien, voornamelijk magiërs en Psardoniërs.
Elk van de vorige keren had ze gerend, samen met haar vrienden en familie. Deze keer niet, want deze keer was ze volwassen, op zichzelf. Nog een twee maand geleden had ze een huisje gekocht. Het was klein, niet meer dan een woonkamer, keuken, schuurtje en een slaapkamer, maar het was van haar. De keuken en de woonkamer waren zelfs dezelfde ruimte, maar het kon haar niet deren. Ze voelde zich er blij en dat was het meest belangrijke. Ze kon haar eigen keuzes nu maken, ze was vrij. Dit was dan ook een uiting van vrijheid. Haar vrijheid. Ze wou haar hele leven lang niet vluchten. Ze had eigenlijk een eindelijk een eigen leven en ze zou het niet laten beheersen door een dergelijk iets als dit.
Geduldig bleef ze staan en keek naar het schouwspel in de nu geelgroene hemel. Het was begonnen. Een warme, harde wind begon steeds harder te waaien en de lucht werd steeds dichter en dichter omsloten door het geel. Ze stond alleen, de rest van het dorp was gevlucht naar de grotten, waar ze veilig zouden zijn. Zelfs de criminelen waren daar, omdat ook zij de Storm te gevaarlijk vonden. Logisch, gezien het feit dat iedereen die tijdens de storm buiten was, nooit meer terug is gevonden, levend…of dood. De verklaring die iedereen er aan gaf was redelijk simpel: De Storm had ze verzwolgen en gedood. Gyalla was het er niet mee eens. Ze wist best dat ze eigenwijs en koppig was, maar dit had daar niets mee te maken. Nog nooit in haar leven had ze ook maar gezien of zelfs gehoord van een moord waarbij er geen enkel spoortje achterbleef van de daad of het slachtoffer. Nee, dit leek meer op een soort van ontvoering. Een belachelijke conclusie, dat zeker, maar voor Gyalla was het de meest logische en minst belachelijke verklaring voor deze situatie.
Een dikke, gele mist begon op te zetten, vanuit het niets. Het lag als een laag bananenpudding op de grond, tot op een hoogte die ze schatte als enkelhoogte. De geleiachtige wolk kroop langzaam over de grond, alsof het voorzichtig tastte om zeker te weten dat het veilig was. Plots was de hemel volledig uit het zicht verdwenen, door een grote, gele wolk die tot in het oneindige leek door te gaan. Het werd benauwd. Niet van de hitte, maar de lucht leek ijler te worden, of iemand probeerde haar opzettelijk ademnood te bezorgen, voor welke reden dan ook. De mist was inmiddels bijna bij haar voeten beland, maar ze hield haar voeten stijf tegen elkaar, ondanks de angst en de benauwdheid. De mist kroop om haar heen en ging weer verder, alsof ze slechts een vlekje was dat geen aandacht verdiende.
Hevige angst en benauwdheid bekropen haar en als bliksem bij heldere hemel brak haar standvastigheid en wilde ze koste wat het kost weg om te schuilen waar het veilig was. Ze probeerde weg te rennen, maar haar voeten stonden vastgenageld aan de grond. Nog een keer probeerde ze het. Haar benen bewogen wel, maar haar voeten bleven aan de grond, geen millimeter gevend aan een wanhopige vrouw. De mist begon omhoog te kruipen, langs haar blote benen. Het voelde heel warm en aangenaam aan, maar na een kort tijd leek het net alsof haar benen in brand stonden. Ze had hulp nodig, en snel ook. ‘Help!’ Riep ze, zo hard ze kon. Toen ze inademde, vloog er gele mist haar longen in en binnen een tel leek het net alsof haar longen aan het verbranden waren. Ze hoestte en kuchte, terwijl ze hopeloos probeerde om nog om hulp te schreeuwen. De mist stopte niet en was nu overal waar het oog kon reiken, zodat de hele wereld gehuld was in een dun laagje gele gelei.
Haar maag begon te branden, omdat ook daar de mist al dwaalde. Het ging steeds hoger en hoger, en daarmee kwam steeds meer en meer pijn, ondragelijke pijn waar ze maar niet vanaf kon komen. Gyalla moest denken aan haar ouders, haar broertje, haar vrienden, iedereen die ze kende. Ze had ze graag allemaal nog een laatste keer kunnen zien, om afscheid te nemen, als was het alleen maar dat. Haar rationalistische instelling schudde haar wakker, terwijl ook haar keel overwoekerd was door de mist. Natuurlijk kan dat niet. Jij bent magiër noch Psardoniër, dus de enige kans die jij hebt is dat er iemand langs komt die dat wel is. Die kans is echter zo klein, dat dit het einde voor jou zal zijn.
Alsof haar wens gehoord was, kroop de mist langzaam aan weer terug naar beneden, waar het weer samensmolt met de eindeloze massa die over de grond kroop. Het brandende gevoel dat ze overal had minderde snel, maar het was nog steeds pijnlijk. Ze bekeek zichzelf en merkte dat haar huid overal rood was, en bedekt met rode blaasjes, bulten en plekken. Toen ze rond keek om te kijken wat de oorzaak kon zijn, schrok ze. Een menselijk figuur stond tussen de mist. Tussen. De mist leek te wijken voor deze persoon. Het figuur was nauwelijks te zien, maar haar gevoel vertelde haar dat het een mannelijk, maar nog belangrijker, menselijk figuur was. Ze probeerde nog eens om hulp te schreeuwen, maar wat uit haar keel kwam bestond enkel uit piepjes en fluistertonen.
Plots hoorde ze een stem in haar gedachten. ‘Schreeuw niet, het zal je geen goed doen. Sterker nog, praat ook maar niet. Nog niet. Je zult zo gegrepen worden door een onweerstaanbare slaap en als je wakker wordt zal ik proberen je vragen te beantwoorden. Maak je maar geen zorgen, de tijd daarvoor is nog niet aangebroken.’ De stem had het laatste woord nog niet uitgesproken of een dromerig gevoel overspoelde haar. Ze werd slapjes en kon haar oogleden niet langer bedwingen en binnen een tel zakte ze in elkaar en sliep ze.
Hoofdstuk 2 – De beproeving
Vermoedelijk een paar uur later werd ze wakker. Ze lag in een bed, en haar lichaam deed overal extreem veel pijn.Ze schreeuwde het uit, en het geluid dat de kamer vulde was een oorverdovende schreeuw met zoveel kracht, dat ze van de schrik direct ophield met schreeuwen. De schreeuw bleek echter niet te stoppen en wanhopig probeerde ze haar oren te bedekken met het kussen. Ze hoorde helemaal niets, maar plots voelde ze en warme, verzachtende gloed over haar heen komen en ze viel direct weer in een diepe slaap.
Langzaamaan verscheen de wereld weer voor haar ogen, terwijl ze deze open deed. Ze lag nog steeds in hetzelfde bed. De pijn was eindelijk verdwenen. Vol verbazing stak ze haar armen omhoog en bekeek ze eens goed. Ze waren normaal. Geen blaren te zien, gewoon haar roze, zachte huid. ‘Wat is er gebeurd? Hoe kan dit?’ Haar stem galmde door de kamer. Uit reflex deed ze haar handen voor haar mond. Had ze dat echt gezegd? Dat was niet de bedoeling. Ze was dan misschien geheeld, maar ze was nog steeds bang. Doodsbang, want iemand met de macht om de Storm te laten wijken en haar wonden zo snel te laten genezen moest enorme kracht hebben. Kracht die haar net zo goed uit kon roeien, of tot hersenloze slaaf kon laten degraderen. Ze wilde liever niet duidelijk maken dat ze wakker was, om het onvermijdelijke uit te stellen. De ruimte om haar heen zag eruit als een klassieke studeerkamer. Ze keek haar ogen uit naar de rijke uitstraling van de kamer. Gouden kandelaars hingen aan muren en stonden op tafels. Erin stonden kaarsen die de gehele ruimte verlichtten. Als reactie op de donkere, houten boekenkasten, bureau’s, bronzen versierselen en rijen met boeken galmde er weer geluid door de kamer. ‘Dit moet een rijk en goed belezen persoon zijn. Niet moeilijk als je magiër bent, natuurlijk.’ Weer schrok ze op. Dat wou ze helemaal niet zeggen.
Ze voelde zich niet goed, maar ze wist niet precies waarom dat was. Ziek was ze niet, dat had ze wel gemerkt. Het was gewoon een vreemd gevoel in haar maag. Een soort instinct dat zei: Dit is gevaarlijk. De stilte in de kamer was weer teruggekeerd en Gyalla keek nog eens goed rond. Misschien kon ze iets meer te weten komen over haar zogenaamde redder. De situatie zinde haar niet. Wie zou er tegenwoordig nog zoveel macht kunnen hebben? En bovendien, waarom zou iemand met een dergelijke hoeveelheid macht moeite doen om haar te redden? ‘Dan zat ik er toch niet zo ver naast met de ontvoeringtheorie.’ Weer zo’n luide gedachte. Dit was belachelijk. Wat was het doel hiervan?
Dit keer keerde de stilte niet terug. Voetstappen naderden de kamer in een rap tempo. ‘Het moet die man wel zijn,’ zei ze dit keer, nu gewoon hardop. Het had geen zin het te denken, daar werd het alleen maar luider van. De voetstappen stopten en ze hoorde gerinkel bij de deur. Snel dook ze onder de dekens en deed ze alsof ze sliep. Hopelijk zou dat haar in ieder geval een korte tijd in leven houden. Ze hoorde de deur opengaan en het daarop volgende kraken van de vloer verried dat de persoon dichterbij kwam. Het kraken stopte vlak voor het bed. Ze hield haar adem in van de schrik en probeerde kalm te blijven, hoe moeilijk dat ook was. Een stem klonk in haar gedachten. ‘Sta op, Gyalla. Mij hoef je niet te vrezen. Ik weet dat je een onherroepelijke angst voelt. Laat mij je helpen.’ Gyalla twijfelde. Wat moest ze nu doen? Sprak hij de waarheid en wou hij haar inderdaad helpen, of probeerde hij haar gewoon in zijn val te lokken? Had ze eigenlijk wel een keus?
Uiteindelijk besloot ze toch maar op te staan. Het was onzinnig om te blijven liggen, aangezien het haar uiteindelijke lot toch niet zou wijzigen. Beter direct afgehandeld dan een paar dagen in angst en onzekerheid leven. Langzaam deed ze de dekens af en richtte ze haar ogen op de man die haar net toe had gesproken. Ze wist hoe ze zich van het beeld dat ze kreeg moest voelen. Opgelucht of juist bang. De man zag eruit als een standaard tovenaar, inclusief lange grijze haren, bijbehorende baard, grote mantel en zo’n belachelijke hoed. Het was alsof hij zo uit een sprookje of verhaal was gestapt. ‘U ziet er…precies uit zoals ik gedacht had.’ Een trilling van angst klonk door haar stem. De man beantwoordde haar met een vriendelijke glimlach, waardoor er talloze rimpels geaccentueerd werden, en sprak. ‘Maar natuurlijk. Juist omdat jij me zo voorstelde zie ik er zo uit.’ Gyalla keek stomverbaasd naar de man, verward door zijn antwoord. ‘Dat…dat begrijp ik niet.’ Ze staarde naar de vloer, ze voelde zich absoluut niet op haar gemak met deze man. ‘Weet je, Gyalla, de meeste magiërs van nu zijn van onaardse afkomst. Sommigen Goddelijk, anderen weer Duivels, en weer anderen geen van beiden. Er zijn slechts enkele mensen die de leer der magie hebben gevolgd. Wij, degenen van onaardse afkomst, zien er vaak onconfessioneel uit, naar jullie maatstaven. Via de moeilijke weg ontdekten we dat de meeste mensen het niet zo hebben op mensen die er vreemd uit zien of duidelijk niet van de aarde komen. Daarom namen wij deze vorm aan. Hij schijnt het meest geaccepteerd te worden, ook al is het maar een illusie. Maar goed, genoeg over mij, op het moment ben ik niet belangrijk…genoeg.’ De oude man vormde zijn feilloze glimlach weer.
Gyalla keek verbaasd naar de oude man. Zijn vriendelijke uitstraling en milde toon stelden haar op haar gemak, maar nog steeds voelde ze zich niet helemaal goed. ‘Maar, wat is er dan wel belangrijk genoeg. Ik bedoel, hoe kom ik hier eigenlijk. Het laatste dat ik me herinner is de Storm en toen…Jij! Jij was die stem in mijn hoofd! Ik zou je bedanken, maar ik…ik vertrouw je niet.’ Haar ogen schoten van links naar rechts, overal kijkend behalve naar de magiër. De man legde zijn hand op haar schouder. ‘Dat verwacht ik ook niet. Maar het zal groeien. Tot dan zul je moeten doen wat ik zeg, ook al doe je het met tegenzin. Het is belangrijk, Gyalla, belangrijk dat je precies doet wat ik je zeg. Waarom, dat vertel ik je nog niet. Het zal je vanzelf duidelijk gemaakt worden.’ Ze kon een teleurstelling in zijn ogen zien, maar ze kon niet geloven dat dat hier iets mee te maken kon hebben.
Hij gebaarde haar mee te komen. Ze ging met hem mee, al was het met tegenzin. Ze snapte wel dat de man gelijk had. Ze zou moeten doen wat hij haar opdroeg. Hij had macht genoeg om haar te doden als het niet zo was, of haar te dwingen het te doen, zonder dat ze er ook maar een klein beetje inspraak bij had. De gangen van het complex waren klein, wat haar op een of andere manier verbaasde. Ze had nog nooit een kasteel, paleis of een ander dergelijk gebouw gezien, maar ze had toch wel verwacht dat het allemaal grandioos zou zijn. ‘Dat is zo met opzet gemaakt. Omdat de gangen zo klein zijn, kunnen er geen grote monsters naar binnen komen, zou het ooit eens voorkomen dat er een oorlog is of een andere magiër mij probeert te doden. Bovendien, wat is het nut van al die gigantische gangen. Het is pure ruimteverspilling, en geldverspilling ook nog.’ De magiër kon haar gedachten lezen. Niet echt een geruststellende gedachte. ‘Dat zal na verloop van tijd wel minderen. Ik kan nu eenmaal gedachten lezen, en dat is niet iets wat ik even uit kan zetten alsof het een of ander apparaat is. Over een tijdje zul je leren hoe je jezelf hiervan kunt afschermen. Geloof me, ik hoef niet zo nodig te weten wat jij denkt. Ik heb al genoeg om zelf over na te denken.’
Uiteindelijk kwamen ze uit bij een deel van de gang, waar het plafond aanzienlijk hoger was. Bovenaan deze kleine toren was een doorzichtig dak, wat ervoor zorgde dat er ligt naar binnen kwam van het schemerdonker buiten. De magiër stopte en Gyalla deed hem na. Ze stonden voor een deur die meer dan twee keer zo hoog was als een mens, en ook minstens wel vier keer zo breed. Zo te zien was hij gemaakt van een prachtige soort donker hout. ‘Oke, dit kostte wel wat extra geld, maar dit is dan ook het gedeelte van mijn verblijf waar ik echt trots op ben. Ik ben hier meestal wel te vinden en daarom vind ik het belangrijk dat ik het daar goed naar mijn zin heb. Bovendien is de ruimte nu niet echt klein. Deze deur is slechts een voorproefje. En hier zal ik gaan zitten, zodat jij je eerste test kunt doorstaan.’ De magiër maakte een zwaaiend gebaar naar de deur en een goudkleurige tekst verscheen erop. Gyalla keek verwonderd naar de deur, terwijl de magiër naar achter liep en ‘Stoel’ zei, zodat er een stoel verscheen, waar hij op ging zitten. Gyalla keek hem aan. ‘Ik snap het niet, dit is mijn test?’ De man keek haar aan met een doordringende blik. ‘Ja, dat klopt. Jouw eerste test zal zijn deze deur open te maken. Ik zal bovendien je gedachtegang goed in de gaten houden, om te kijken hoe jij problemen analyseert.’ Fijn, gedachte-inspectie, net wat ik nodig had….
Gyalla liep naar de deur toe en keek naar de inscriptie. Hij was redelijk kort, maar wel gigantisch, zodat hij bijna de gehele deur in beslag nam. Er was slechts een klein probleem. De taal die geschreven stond was volledig onbekend voor haar. Ze kon het niet eens uitspreken. ‘Magiër, deze taal ken ik niet. Hoe moet ik in hemelsnaam dit raadsel oplossen als ik het niet eens kan lezen. De magiër lachte. ‘Wie heeft er ooit gezegd dat het een raadsel was. Ik zeg ook niet dat het geen raadsel is. Ik zeg alleen, dat jij deze deur open moet krijgen. Hoe je dat wilt doen, mag je zelf proberen te achterhalen.’ Een teleurstellend antwoord, dat haar totaal niet bevredigde. Ze besloot maar gewoon te gaan zitten en eens rustig na te denken. Er moest vast een wachtwoord gesproken worden om hem open te krijgen. ‘Simsalabim. Abracadabra. Sesam open U. Hocus Pocus.’ De deur bewoog niet. Verdorie. Hoe kan ik nu het antwoord vinden als ik de tekst niet eens kan lezen. Dit is toch belachelijk? Hoe kan hij me nu opzadelen met een probleem dat ik niet eens begrijp. ‘Oh ja, wat ik er even bij moet zeggen. Zolang je het raadsel niet hebt opgelost krijg je geen slaap, geen eten en geen drinken. Het spijt me echt, maar dat is de enige manier om mensen gemotiveerd te houden.’ Fantastisch, kan er ook nog wel bij. Het is dus wel duidelijk dat ik dit zo snel mogelijk op moet lossen.
Hoofdstuk 3 – Simpliciteit
Twee dagen en nachten stond Gyalla voor de deur, met de magiër achter haar. Gebrek aan eten en voedsel leek hem niet te storen, maar het stoorde haar wel degelijk. Ze was uitgehongerd, stierf bijna van de dorst. Ze had alles geprobeerd wat maar in haar opkwam. Ze had de deur geaaid, ze had geklopt, ze had de deur zelfs gevraagd of ze binnen mocht komen. Haar ideeën waren op, er zat echt niets meer in. Het leek erop, dat ze zou verhongeren. Ik moet echt iets eten of drinken, anders verga ik nog. Waarom wil die stomme deur nou niet gewoon open. Er moet een oplossing zijn. Ik kan de deur moeilijk open toveren… Plots schoot haar een idee te binnen. Ze was radeloos, en hoe simpel het ook was, ze moest het gewoon proberen, zodat ze weer kon eten en drinken. Ze liep naar de deur en oefende de kleine hoeveelheid kracht die ze nog in haar spieren had uit op de deur. Met een soepelheid die ze niet had verwacht, ging de deur open. Voor haar strekte zich een ruimte uit die haast net zo groot als haar hele dorp was. Ze kon haar ogen haast niet geloven. Overal stonden kasten vol met boeken, helemaal tot aan het plafond. De ruimte was minstens tien meters hoog. Ze kon niet eens schatten hoeveel boeken hier wel niet waren. Tussen de kasten en de stapels boeken stond een grote, rechthoekige tafel met een aantal stoelen eromheen. Op de tafel stonden diverse schalen met overheerlijk eten en drinken. Gyalla raasde als een dolle hond op het eten af en begon te schrokken alsof ze in geen dagen had gegeten, wat ze in feite ook niet had gedaan.
De magiër liep langzaam naar haar toe en liet de stoel staan. ‘Ik weet wel hoeveel boeken hier staan, maar in jullie taal is er helaas geen woord dat dat getal kan weergeven. Laten we het maar gewoon houden op ontzettend veel. Uit al deze boeken zul jij gaan leren. Uiteindelijk zul je veel weten, en dan zal ik je vertellen waarom je hier bent en wat jij moet doen. Dit is slechts het begin, Gyalla, en ik wil graag dat je klaar en voorbereid bent. Ben je dat niet, dan heeft het geen zin om je er opuit te sturen, omdat je het dan simpelweg niet zult overleven. Maar dit zijn zorgen voor later. Nu kun je eten en drinken, daarna kun je hier slapen. Als je wakker wordt, zullen we beginnen met je onderwijs. Na verloop van tijd zul je me dankbaar zijn, echt waar. Als je ongeveer vijftig meter rechtdoor loopt vanaf mijn standpunt, zul je je bed vinden. Kom morgenochtend hier weer terug en we zullen elkaar spreken. Vergeet vooral niet de les die je net geleerd hebt, omdat die les een van de belangrijkste lessen is die je hier zult leren. Het antwoord is vaak simpeler dan je denkt. Vaak moet je niet denken, maar doen. Eet smakelijk, Gyalla, en tot morgen. Slaap wel.’ Gyalla knikte naar hem en probeerde hem haar dank voor het eten te laten blijken, door het te denken. Zijn stem verscheen er plots tussenin en liet weten dat hij het gehoord had.
De volgende ochtend werd Gyalla wakker. Met een volle maag had ze heerlijk geslapen, al had ze geen idee hoe lang ze wel niet in bed had gelegen. Ze sprong haast uit bed en liep snel terug naar waar ze de vorige dag had afgesproken met de magiër. Na een minuutje gelopen te hebben dacht ze even goed na. Ging ze wel de goede kant op? De tafel had hier toch wel ergens moeten staan. Snel keek ze om zich heen en besloot een andere kant op te gaan. Ook hier weer niets. Na ongeveer drie uur rondgedoold te hebben tussen de kasten, vond ze eindelijk de tafel. Ze kon toch zweren dat ze de eerste keer goed zat. Maar goed, de periode zonder voedsel, drinken en slaap had haar misschien in de war gebracht. Ze kon maar beter hier gaan zitten en op de magiër wachten. Hij had hier toch eigenlijk al moeten zijn. Ik bedoel, ik ben zo lang op zoek geweest. Wacht eens, misschien is hij mij wel gaan zoeken, of is hij vertrokken omdat ik er niet was. Misschien moet ik hem…nee, ik kan beter hier blijven. Hij zal hier uiteindelijk wel weer terugkomen. Hij is ten slotte magiër, hij zou niet zoveel problemen moeten hebben met het vinden van mij, zelfs in een ruimte zo groot als deze. Geduldig pakte ze een stoel en ging ze zitten wachten. Minuten gingen voorbij, en na verloop van tijd waren er al uren vervlogen terwijl ze op de magiër zat te wachten. Ze had enkele malen geprobeerd een boek te pakken, maar deze waren afgeschermd door iets wat haar blijkbaar niet door wilde laten. Uiteindelijk besloot ze weg te gaan. Misschien was hij hier helemaal niet meer. Ze kon moeilijk het hele gebouw rondstruinen, dus ze ging de bibliotheek maar gewoon eens verkennen, kijken of er nog andere bijzonderheden waren te vinden in deze ruimte.
Een korte tijd later zag ze plots de magiër staan, tussen twee boekenkasten in. Hij keek haar aan met een boze blik. ‘Ik dacht dat je alles zou doen wat ik je vroeg. Ik heb je gevraagd nadat je wakker bent geworden hier terug te keren.’ Gyalla keek stomverbaasd. Dat kon toch gewoon niet? ‘Nee, U zei dat ik moest teruggaan naar de plek waar ik gister zat te eten toen U vertrok. Daar was ik net, ik heb er bijna drie uur gezeten, wachtend op U. Ik heb me dood verveeld, ik kon zelfs geen boek lezen. Wat een belachelijke bibliotheek als je er geen boek kunt lezen!’ De magiër gebaarde haar stil te zijn. ‘Ik heb dat inderdaad gezegd. En wij staan nu op diezelfde plek. De plek waar jij gister hebt zitten eten, de plek waar ik je gister heb verteld wat jij vandaag moest doen. Diezelfde plaats.’ Gyalla was helemaal overrompeld. Ze wist haast niet wat ze moest zeggen. ‘Maar ik, ik…Ik zou toch zweren dat er hier gister een tafel stond. Ik heb de tafel opgezocht.’ De magiër lachte. ‘Precies de bedoeling. Je moet leren dingen anders te accepteren. Ik heb je gister gezegd, dat je terug moest keren naar deze plek, niet naar de tafel. Weer een wijze les geleerd. Nu zullen we ons naar de tafel begeven. Je zult daar eten en drinken, en daarna zullen we de boeken eens openslaan.’ Gyalla was opgelucht. Hij was niet kwaad op haar. Het was alleen wel een les die ze liever geleerd had zonder al die poeha. De gehele weg naar de tafel bleef ze denken over de afgelopen gebeurtenissen. Het was allemaal zo vreemd, en ze kon niet eens gewoon doen wat ze gewend was. Lezen kon zelfs niet eens. Toen ze dat dacht, schoot haar iets te binnen. ‘Magiër, ik wil niet ondankbaar doen, maar hoe kan ik een boek lezen als ik hem niet eens uit de kast kan pakken.’ De magiër liep stug door, hij had blijkbaar haast. ‘Dat leg ik je zo wel uit. Er liggen hier zoveel verschillende boeken, dat het ook voor mij onmogelijk is alles te onthouden. Ik kan niet onthouden waar elk boek ligt, waar elk boek over gaat, en ga zo maar door. In plaats daarvan heb ik een systeem ontwikkeld wat het allemaal wat simpeler maakt. Ga eerst maar eten en drinken, daarna zul je het zien.’
Hoofdstuk 4 – De missie
Gyalla wist niet wat ze meemaakte in de volgende jaren. Hoewel ze omringd werd door magie en het nota bene zelf ook nog eens leerde, was ze elke keer weer verwonderd over wat het huis van de oude magiër voor haar in petto hadden. Ze leerde veel, zowel magie als andere vaardigheden. Ze leerde vooral hoe ze problemen en situaties aan moest pakken. Want zeg nou zelf, wat heb je aan magie als je het niet goed gebruiken kunt. In de jaren verorberde ze de boeken uit de bibliotheek. Voor de lol was ze in het begin gaan bijhouden hoeveel boeken ze had gelezen en geleerd, maar na verloop van tijd was ze daarmee gestopt, omdat het aantal al groot genoeg was. Enkele boeken maakten daar geen verandering meer aan.
Toch viel haar een ding altijd op, ze sprak haar gastheer altijd aan met magiër. Geen enkele keer had hij gewild dat ze hem meester noemde, en zelfs zijn naam wist ze niet. Op een zonnige dag, terwijl ze in de tuinen van het paleis waren, vroeg ze de magiër naar zijn naam. ‘Mijn beste Gyalla. Ook hier kun je een les uit trekken. Je kent mijn naam niet, omdat dat niet belangrijk is. Maar er is nog een reden. De naam van een magiër is zijn magische identiteit, zowel als zijn afstandbediening. Een andere magiër of magie-uitvoerder kan met enkel de naam van een andere magiër de ergste dingen met die magiër doen. Als magiër ben je absoluut niet opgewassen tegen iemand die je echte naam kent, tenzij je zijn of haar naam ook hebt. Ik heb echter het gevoel gekregen dat je zeer betrouwbaar bent, Gyalla, en daarom zal ik je mijn magiërsnaam vertellen.’ Gyalla lachte en haar ogen fonkelden van blijdschap. Het was fijn te weten dat hij zoveel vertrouwen in haar had. ‘Wat bedoelt U met magiërsnaam, magiër?’ De magiër dacht even na en keek haar toen diep in de ogen aan. ‘Een magiërsnaam is een soort pseudoniem. Het is hoe jij, als magiër zijnde, aan de wereld bekend staat. Het is een identiteit, maar het is niet je echte naam. Zodoende kunnen kwaadwillenden het niet gebruiken om je te deren.’
Gyalla keek rustig om zich heen, genietend van de omgeving. De rozenstruiken stonden vol met rozen van allerlei kleuren. Dieren huppelden, hupsten en liepen door de tuin, terwijl een zwerm vogels zich klaar maakte voor de landing op het grasveld. De beelden van oude magiërs, gemaakt van marmer, fonkelden in het licht van de zon, dat volop de wereld verlichtte. Als dit waar was, moest zij ook maar een magiërsnaam hebben, anders kon het wel eens snel over zijn met de pret. Even draaide ze zich naar de magiër, die doodstil naast haar zat. ‘Magiër, vanaf nu zou ik graag hebben dat U me Gendowyn noemt. Dit is de naam die ik heb uitgekozen als mijn magiërsnaam.’
Er verscheen een brede lach op het gezicht van de magiër. ‘Dan heet ik U welkom, magiër Gendowyn. Mijn naam is Gindaroth, aangenaam.’ Hij stak zijn hand uit. Gyalla reek hem de hand toe en schudde handen met hem. ‘Gegroet, Gindaroth.’ Daarna was ze weer teruggekeerd naar de bibliotheek om verder te leren. Vanaf dat punt noemde ze hem Gindaroth, en hij noemde haar Gendowyn. Hun band groeide enkel sterker en sterker, totdat ze haast onafscheidelijk waren. Toch miste ze iets, iets dat voor een leegte in haar hart zorgde. In een gesprek met Gindaroth kwam het plots naar boven.
‘Gindaroth, waarom is het hier zo stil en eenzaam. Ik zou graag wat meer gezelschap willen hebben rond ons en het gebouw. Niet dat ik je niet waardeer als vriend, maar ik mis gewoon mijn sociale contacten. Ik voel me afgesloten van de buitenwereld, helemaal alleen. Begrijp me niet verkeerd, dat moet je echt niet doen. Maar ik heb nu eenmaal meer sociale behoeften dan enkel een vriend. Bovendien zullen er mensen zijn die me ontzettend missen. Ik kan ze het niet aandoen om gewoon maar weg te blijven zonder hen duidelijk te maken dat ik nog in leven ben.’
Gindaroth zuchtte. Hij mompelde iets en uit de kast achter hem verdween een boek, dat inmiddels al open op tafel lag. ‘Gendowyn, moet je luisteren. Ik heb je al die tijd geleden hier gebracht met een reden. Die reden, is dat er iets mis was met de mist. De mist van de Storm gedroeg zich toen raar, abnormaal. Ik kan je niet vertellen wat het precies was, maar er was iets verkeerd, dat weet ik wel. Jij was overgeleverd aan het noodlot, maar ik zag iets in jou, een bepaalde potentie. Tot nu toe heb je me niet teleurgesteld, Gendowyn. Maar nu is het tijd voor mij om je te vertellen waarom je nooit iemand hebt gezien binnen deze muren. Deze plek, Gyalla, bestaat niet. Ik weet dat het raar is, maar het is echt zo. Deze plek bestaat echt niet. Het is een slimme, fictieve plek om ervoor te zorgen dat we niet gestoord worden tijdens deze belangrijke werkzaamheden. De afgelopen jaren heb ik niet met je doorgebracht omdat ik eenzaam ben, Gendowyn. Ik heb je hier gebracht om je klaar te stomen voor het duel dat je aan zult gaan met degenen die de Storm verstoren. Jarenlang heeft de Storm voor evenwicht gezorgd, en nu dreigt het allemaal gevaar te lopen. Ik stuur je erop uit, Gendowyn, en hoop dat je me niet teleur zult stellen. Wees erop verdacht, dat er in de echte wereld nog geen week voorbij is. Wat voor jou haast jaren heeft geduurd, heeft voor de rest van de wereld maar een paar dagen geduurd. Tot zo, Gendowyn.’
Langzaam aan werd Gyalla wakker. Ze keek rustig om zich heen terwijl ze de slaap uit haar ogen wreef. In de hoek van de kleine kamer zat een oude man op een krakkemikkige stoel. Ze herkende hem, het was Gindaroth. Verward testte ze of al haar ledematen in orde waren. Ze zuchtte van opluchting. Alles deed her nog perfect, zoals vroeger. Gindaroth zat stil op zijn stoel, zijn hoed verzorgde een donkere schaduw over zijn gezicht. Hij sliep, concludeerde Gyalla. Ze besloot hem verder niet te storen en de kamer uit te sluipen. Toen ze halverwege de deur was, verscheen daar plots de magiër. Ze schrok, keek om, zag de magiër nog slapend op zijn stoel zitten en keek weer terug. ‘Waarom wordt je niet wakker, Gindaroth? Vanwaar deze illusie?’ Vroeg Gyalla, lichtelijk verward. Gindaroth keek haar recht in de ogen en sprak. ‘Als ik wakker wordt, kan het zo zijn dat ik niet meer in die wereld kan komen. Dat zou een ramp zijn, aangezien al mij onderzoek daar ligt. Bovendien kan ik daar doen wat ik wil, omdat ik bijna alle tijd heb en niet gestoord zal worden. Maar goed, genoeg over mij. Neem je bezittingen mee en ga naar het Aryoka gebergte, dat in het Noorden ligt. Daar zul je vinden wat je zoekt: Bloedende Maagden, of wat er nog van over is. Je weet nu hoe je ze herkent. Je moet ze doden, opdat de Storm en de balans van de wereld weer hersteld kan worden.’
Hoofdstuk 5 – Illusie van vertrouwen
Gyalla knikte en liep de kamer uit, door de illusie heen. Ze gebaarde iets naar haar toe te komen en al haar spullen vlogen naar haar toe, allemaal naar de gewenste plek. Ze moest zich even oriënteren, maar zwaaide toen met haar armen, verzamelde de energie die ze nodig had en ze zei: ‘Teleporteer,’ terwijl ze aan de bergen in het Noorden dacht, waar ze vroeger met haar oma wel eens was geweest. Ze keek eens rond en begon zich te concentreren. Als de Bloedende Maagden hier ergens waren en de Storm aan het verstoren waren, was er dus nog een hoop energieresidu overgebleven van het verstoren van de laatste Storm. Zo bleef ze zitten, wachtend tot de energie van haar teleportatie hersteld was en tot ze het residu gevonden had. Het gebied zat vol met residu, waarschijnlijk omdat dit dé plek was om duistere plannen uit te voeren zonder gestoord te worden. Na een tijdje had ze alle achtergrondruis gefilterd en ze had nog maar een enkele mogelijkheid over. Ze richtte zich op dat punt en begon te lopen. Teleporteren kon niet. Het residu was goed afgeschermd, wat getuigde van vaardigheid met magie. Magie zo krachtig als teleportatie zou zeker de aandacht trekken van zulk soort mensen.
Na ongeveer vijf mijl gelopen te hebben zag ze een opening in de steile rotswand. De opening was hoog, maar niet erg breed. De functie daarvan was Gyalla onbekend, maar voor haar maakte het eigenlijk ook niet uit. Ze zou enkel doen wat ze opgedragen was en dat was het. Langzaam en voorzichtig liep ze door de donkere gangen die tot het diepst van de bergen doordrongen. Aan het eind van de gang was een zwak licht te zien. Gyalla ging zachter lopen, om niet opgemerkt te worden. Het was niet alsof ze bang was om gedood te worden, maar als ze niet gezien zou worden zou het allemaal een hoop tijd en energie schelen. Het licht was afkomstig uit een grote grot, waar tientallen vrouwen en een enkele man aanwezig waren. De man werd gevangen gehouden. Even dacht ze hem te kennen, maar na vijf seconden was ze er zeker van dat ze hem niet kende. Ze bleef even staan, om de roodgeklede vrouwen, die overigens allen een lang zwaard droegen, te observeren. Ze kon niets vreemds ontdekken, dat erop zou wijzen dat ze haar gezien hadden.
Zonder ook maar een moment te wachten of te twijfelden trok Gyalla haar twee zwaarden en schoot de zaal in, haar snelheid vele malen vergroot door de magie die ze gebruikte. De eerste zes vrouwen stierven zonder problemen. Daarna trokken ze in een enkel ogenblik hun wapens en richtten zich op Gyalla. Allen, behalve vier vrouwen in donkerblauwe kleding, die de man bewaakten. Ze had geen tijd om het verder te bestuderen, want de vrouwen hadden zichzelf ook versneld en kwamen op haar af. Met een vluchtige transformatiespreuk gaf ze zichzelf twee extra armen met wapens, om de zwaarden van alle vrouwen af te kunnen slaan. Na vijf minuten had ze vele wonden opgelopen en waren er nog een tiental vrouwen gestorven. Gyalla begon in te zien dat ze dit nooit kon winnen. Er waren teveel vrouwen en hun magische kunsten konden samen die van haar wel evenaren. Plots stond iedereen stil, inclusief zijzelf. Ze vocht ertegen en met magische vibraties doorbrak ze het vlies dat haar vasthield. Een vrouw stond op een verhoogd plateau. Haar donkerrode jurk met groene en blauwe accenten en randen gaf aan dat ze een status bezat die de status van een koning of koningin zonder problemen kon evenaren. Ze straalde macht uit, en een magisch aura omringde haar, onzichtbaar voor het onverbeterde zicht van gewone mensen.
‘Stop hiermee. Wie ben je, en wat denk je wel niet dat je hier aan het doen bent!’ De stem van de vrouw was vol, krachtig. Gyalla slikte even en keek eens goed om zich heen. Alles in de kamer stond stil, behalve zij, de vrouwen in het blauw, de man die zij bewaakten en degene die de spreuk had losgelaten. ‘Mijn naam is Gendowyn. Ik ben een krachtig magiër, die erop uit is gestuurd om jullie kwaaddoeners te vernietigen, opdat de balans van de wereld weer op zijn plek zal vallen. Maak je klaar, vuile heks!’ Ze zette zich schrap om in een keer een offensief af te vuren op de vrouw. ‘Dat zou ik maar niet proberen, Gendowyn. Je moet je realiseren, dat ik krachten heb die jou te boven staan. Mijn levensduur is al meer dan tien keer meer dan de jouwe ooit zal zijn. En nu wil ik het even hebben over jou en je missie. Wat bedoel je in hemelsnaam met kwaaddoeners en wat bedoel je met de balans van de wereld herstellen?’ Gyalla was verbaasd. Dit kreng zou toch precies moeten weten waar ze het over had, zij heeft al die troep veroorzaakt. ‘Je weet best wat ik bedoel, kreng! Het hele gedoe met de Storm heeft de wereld uit balans gehaald. Ik kan niet geloven dat jij dat zou ontkennen, aangezien je er al jaren mee bezig bent zonder ook maar een greintje medelijden te hebben en nu heb je een manier gevonden om de mensen nog erger te laten lijden dan nodig is. Ik veracht jou, je aanhang en alles wat jullie doen. Hoe durven jullie!’
De vrouw in de lange jurk kwam naar beneden gelopen en wuifde naar links en rechts. De bevriezing werd verbroken en alle vrouwen schoven naar links en naar rechts om het middendeel van de grot vrij te maken. Slechts de vrouwen in het blauw en de man bleven op hun plek. Een tafel met enkele stoelen verscheen en de vrouw ging zitten. Ze gebaarde Gyalla hetzelfde te doen, maar Gyalla sloeg haar aanbod af. ‘Ik kan je verzekeren dat de Storm, die in de oorsprong van onszelf ligt, niet schadelijk is voor de balans van de natuur, noch is het de oorzaak van enig lijden en pijn. Ik snap het niet helemaal. Wie heeft jou gestuurd, waar heb jij deze zogenaamde opdracht vandaan. Dit is te belachelijk voor woorden. Van alle mensen zou juist jij aan onze kant moeten staan. Jij zou moeten weten wat wij echt doen, als was het maar een kleine verdenking. Met jou kracht kun jij veel meer dan wat je net hebt laten zien. Waarom weet je dit niet, Gendowyn, of moet ik je maar gewoon Gyalla noemen.’ Gyalla viel bijna achterover van verbazing. Dit was absoluut onmogelijk. In haar jaren van onderwijzing had ze geleerd haar geest af te schermen van elke indringer, hoe machtig deze ook was. De enige andere mogelijkheid, was dat zij het al wist. Maar hoe, wat kon hiervan de oorzaak zijn? ‘Pijn en lijden is wat ik heb gedaan, toen ik in aanraking kwam met jouw zieke verdraaiing van de mist. In plaats van plotsklaps dood te gaan heb ik geleden. Brandende pijn heeft mij verteerd. Ik heb naar horens meer dan twee maanden in de heling gelegen, voordat ik dermate hersteld was dat ik weer kon lopen en praten. Noemen jullie dat normaal. Is dat wat jullie je medemens graag aandoen? Als dat zo is, zal ik ervoor zorgen dat er zo weinig mogelijk van jullie over zijn om dat te regelen!’ In een enkele vloeiende beweging sprong ze over de tafel en haalde ze uit met haar twee zwaarden. Ze kaatsten af alsof de huid van de vrouw van staal was.
‘Het spijt me als de Storm jou pijn heeft veroorzaakt, Gyalla, dat spijt mij echt, maar dat kan niet door ons doen zijn. Wij hebben al eeuwenlang de Storm veroorzaakt, maar deze veroorzaakt dier noch plant noch mens leed. Hij zorgt er enkel voor dat de mensheid verdacht blijft op onze boodschap. Een boodschap die belangrijk is, belangrijker dan vele andere dingen. Vertel mij eens, wie heeft je hier naartoe gestuurd?’ Gyalla ging zitten, overrompeld door de stortvloed van informatie die binnen kwam. ‘Ik ben gestuurd door een onaardse magiër. Hij draagt de naam Gindaroth. I…Ik snap het niet. Wat is dit allemaal?’ Bij het vallen van de naam Gindaroth zag ze vele gezichten samentrekken, ook die van de vrouw die tegenover haar zat. ‘Ik had het kunnen weten. Gindaroth is een werkelijk slecht magiër. Al jaren probeert hij ons, de Bloedende Maagden, te vernietigen, als wraak voor wat wij al die jaren geleden de magiërs aan hebben gedaan. Na de strijd hebben enkelen zich verscholen en zich opgebouwd. Ik was één van hen. Samen hebben we de vloek in het leven geroepen, en daarmee de Storm. De eerste paar keren was het dodelijk voor alleen magiërs en Psardoniërs die onze waarschuwingen niet serieus namen. Daarna was het onschadelijk. Het oproepen van een dodelijke storm kost veel kracht, een grootschalige zoals die van de Storm is voor ons nu onmogelijk. De storm doet niemand kwaad, omdat er over het algemeen niemand zich buiten waagt. Sterke magiërs en Psardoniërs konden de mist nog wel weerstand bieden, maar anderen konden dat niet. Wij zorgden voor een effectieve manier waarop die mensen dood leken te zijn, zonder ook maar een enkel spoor. Je moet naar me luisteren. Die magiër, Gindaroth, is hier op dit moment aanwezig. Je zult hem niet herkennen, maar hij is er wel.’
Gyalla kon niets doen dan staren. Staren naar de omgeving, de mensen, iedereen. ‘Ik snap het niet. Is hij dat? Hoezo hebben jullie geen…’ Ze kon niet verder gaan. De vrouw tegenover haar brak haar verdediging en ze werd overrompeld door een stortvloed informatie, afkomstig van de vrouw tegenover haar, wiens naam al honderden jaren niet meer gebruikt was. Plots snapte ze alles. Gindaroth was gevangen in een mentale gevangenis. Hij was blijkbaar uitgebroken om zijn wraak te voltooien met het machtigste wapen dat binnen zijn bereik lag: Gyalla. Zij was een der laatste Psardoniërs, een ras van zeer krachtige magiërs, wiens kunsten niet snel geëvenaard konden worden, omdat de magie in hun genen vastgelegd was. Zij was de dochter van de twee machtigste Psardoniërs, en daarmee had ze kracht over bijna alles. Ook de Storm was niet meer een mysterie. Het was bedoeld om de mensheid, tezamen met de magiërs en overgebleven Psardoniërs te waarschuwen en te attenderen. Vroeger, voor de strijd, waren de vrouwen altijd onderdrukt geweest. Ze werden misbruikt en niet beter behandeld als slaven. De Bloedende Maagden ging tegen de regel in dat vrouwen geen enkele vorm van macht mochten hebben, door magie te bestuderen en te gebruiken. De grote oorlog was geresulteerd in vele doden en de verslagen Maagden verzorgden de vloek om het respect af te dwingen. Tot nu toe was het goed gegaan, al was de echte bedoeling voor iedereen behalve de hoge mannen verloren gegaan.
Ze keek naar de magiër. De vuile smeerlap had haar verleid tot iets wat ze nooit wou zijn. Een moordenares voor het verkeerde doel. Al was het wel zo dat ze alles van hem geleerd had, had hij haar ook nooit haar volledige macht uitgelegd. Ze voelde zoveel vertrouwen voor de Maagden, dat ze hem wel wilde vermoorden. Maar ze vond een erger plan, een plan dat hem bezig zou houden totdat hij dood zou gaan, zodat hij nooit een ander zou kunnen verleiden. Ze riep al haar macht op en riep een Storm op. Woester en dodelijker dan welke storm ooit opgeroepen, maar dan alleen in de fictieve wereld die de onaardse magiër zelf had gemaakt. Deze Storm zette hem gevangen in die wereld, en hij zou de rest van zijn leven tegen de Storm vechten, wat hem al zijn gedachten en macht zou kosten. Wraak was zoet, ze kon het haast proeven. De oude tovenares benaderde haar. ‘Ik zou het waarderen als je hier niets over zegt aan anderen, noch over de werkelijke natuur van de Storm. Ik weet wat je ervan vind en ik weet dat het eigenlijk wreed is, maar denk ook eens naar de vrouwen die je red met het behouden van deze leugen. Ga naar huis Gyalla. Als je ons ooit nodig hebt weet je ons te vinden. Je familie en vrienden zullen niet weten dat je weg bent geweest.’
Met een opgelucht hart ontspande ze en viel ze in slaap, een diepe slaap waarin ze alle gebeurtenissen van de dag verwerkte.
Hoofdstuk 6 – De afloop
Gyalla werd gewekt door de zachte hand van haar man, van wie ze hield. Ze stond rustig op en gaf hem een kusje. ‘Ik hou van je, schatje,’ zei ze zacht. ‘Ik ook van jou,’ zei hij terug. Samen liepen ze naar de keuken van haar nieuwe huis, in welke ze nu al vijf jaar woonde met haar lieve man. Samen keken ze rustig naar buiten, om te zien hoe hun dochtertje met de kinderen van school speelden. Plots werd de hemel groenig en Gyalla begroette het. Met gemengde gevoelens van acceptatie en opstand liep ze naar buiten. De kinderen werden door de ouders naar hun toe geroepen en iedereen liep naar de grotten bij het dorp. Gyalla riep ook haar kind bij zich. ‘Kom maar mee naar binnen schat.’ Haar dochtertje keek op met grote, fonkelende ogen. ‘Wat is er mama, wat is dat geel daar in de verte? Waarom vlucht iedereen en waarom doen wij dat niet?’ Gyalla hield haar stevig vast en kuste haar op het voorhoofd. ‘Dat is moeilijk uit te leggen schatje. Ik kan je alleen vertellen dat het hier veilig zal zijn, daar zorg ik wel voor. De gele mist is gevaarlijk. Als je erin verzeild raakt, zul je doodgaan en nooit meer gezien worden. Leer je kinderen dit ook. Als ze de tekenen zien, laat ze dan rennen naar waar het veilig is. Kom, ga je vader gedag zeggen.’ Het kind rende dolblij naar haar vader toe en omhelsde hem. Samen zaten de twee voor het haardvuur, en Gyalla keek naar hen. Een brede glimlach vormde zich op haar gezicht. Ze droeg hen een warm hart toe, en ze wist dat ze hiermee de juiste beslissing had gemaakt. |
|
_________________ Delegation: a policy where you find a person and make their life hell untill everything happens the way you want it.
Used by managers and some notable Gods |
|
|
Tinúviel
|
Door Tinúviel - Friday 15 April, 2005 17:21 |
|
|
Dit is een verhaal dat ik graag zou lezen als het in een heel boek geschreven was, het is origineel en spreekt me aan, maar dat voor een kortverhaal als dit veel te lang is. Daardoor doet het meer aan als een samenvatting en grijpt het niet echt aan.
Het begin vind ik niet helemaal geloofwaardig. De reden die je geeft waarom ze blijft ipv te vluchten overtuigen me niet echt. Bovendien geef je uiteindelijk ook niet echt een verklaring voor het verdwijnen van de andere mensen die buiten bleven.
Je schrijft heel vlot, maar ik heb het gevoel dat je het in een ruk geschreven en niet nagelezen hebt. Er staan een paar duidelijke typfouten in, op het einde heb je zo goed als geen alinea-indeling meer en af en toe gebruik je teveel spreektaal.
Oja, let op met de namen van de hoofdstukken. Je verklapt er al veel in. |
|
_________________ Wil je niet liever alleen maar worden geroepen, van onderaan de trap, door een lakei.
"Doornroosje! Honderd jaar! Wakker worden!"
Je staat op en ik, nog maar halverwege, ga terug naar huis. Onverrichterzake. Desalniettemin. Alleen.
(Toon Tellegen) |
|
|
Aduadariel
 |
Door Aduadariel - Friday 15 April, 2005 17:40 |
|
|
Commentaar: Een aardig goed verhaal, maar niet de beste.
Het onderwerp is goed, maar is erg warrig uitgewerkt.
De tijden zijn raar. De wereld is niet duidelijk, het einde is te simpel. Waarom zoveel volken? Waarom magiers en Psardoniers, als het allebei magiers zijn?
Ik vond het wel een interessant verhaal. Ik denk alleen dat je gewoon te veel in een kort verhaal hebt willen stoppen. Je hebt stof genoeg voor een heel boek.
Nog wat opmerkingen:
Ik vond dat Gyalla de Bloedende Maagd wel heel erg snel vertrouwde. Eerst heeft ze een goede band met Gindaroth en na enkele zin van de Bloedende Maagd vertrouwd ze hem al niet meer. Gindaroth kent ze al jaren, die Maagd pas een paar minuten. Ik vind dit vreemd.
Het hele idee van de storm vind ik wel goed, maar onduidelijk uitgewerkt. Waarom gaan er mensen dood als het alleen maar een waarschuwing is?
Een gesproken zin moet op een nieuwe regel beginnen. Dat doe je niet altijd. |
|
_________________ De tijd is aangebroken om hun duistere kunsten te tonen... |
|
|
whistler
|
Door whistler - Friday 15 April, 2005 20:38 |
|
|
| Nou, het verhaal vond ik zeker niet slecht, de uitvoering laat echter nogal wat te wensen over. Het zit vol spelling en gramatica fouten en volgens mij ook tegenstrijdigheden. Doordat het er zoveel zijn heb ik ze niet genoemd, tenzij je het echt wilt weten, dan haal ik ze er wel voor je uit, wat ik gezien heb iig. |
|
|
|
|
seraphim
 |
Door seraphim - Saturday 16 April, 2005 1:32 |
|
|
| Ik weet niet goed wat ik hiervan moet vinden. Er zitten een paar goede ideeën in, maar helaas is het nogal warrig uitgewerkt, blijf ik met veel vragen zitten, en zitten er veel onlogische wendingen in. Ik ben het dus grotendeels eens met de voorgaande commentaren. Eén van de vele inconsequenties is het feit dat iemand die in de storm blijft staan om te ontdekken wat er met de verdwenen mensen is gebeurd toch wel heel dapper moet zijn, terwijl Gyalla als ze pas bij de magiër is juist erg onzeker en passief lijkt. Zo kan ik nog wel een tijdje verder gaan, mocht je dat willen. |
|
_________________ It's sad that in our blindness we gather thorns for flowers (My Dying Bride) |
|
|
Athildur Rudlihta
 |
Door Athildur - Saturday 16 April, 2005 15:00 |
|
|
Bedankt voor het commentaar. Het is idd wel waar dat het verhaal een beetje veel is voor een kort verhaal. Ik had een idee, en dat was ik aan het uitwerken. Op het eind had ik eigenlijk maar heel weinig tijd over en ik wou wel meedoen, dus toen is het een beetje afgeraffeld.
Ik had dus ook niet echt tijd om alles over te lezen en heb dus alleen de spellingscontrole ff gedaan. Ik wou namelijk wel graag meedoen, eigenlijk...ook al was het maar om te weten wat mensen van mijn schrijfstijl vinden (wat ik eigenlijk het belangrijkst vind), want in principe (als je optijd begint) heb je genoeg tijd om spellingsfouten, grammaticafouten en vaagheden etc. uit het verhaal te halen.
Toch wel fijn dat mensen het idee wel fijn vinden .
Misschien wel een goed idee om dit verhaal helemaal uit te schrijven tot een groter verhaal dus. Ik zal er eens over nadenken .
Even commentaar over het op een nieuwe regel beginnen als iemand praat: Ik weet niet waarom mensen daar altijd voer beginnen. Ik lees genoeg professionele boekenw aarin dat dus echt niet gebeurt, en dat stoort mij dus helemaal niet. Als ik schrijf, alhoewel je natuurlijk rekening houd met anderen, schrijf je toch hoe je het zelf graag zou zien.
Maar goed, bedankt voor het commentaar allemaal. Ik zal in de loop der tijd ook de verhalen lezen en beoordelen, omdat ik de laatste tijd echt heel erg weinig tijd heb gehad voor dit soort zaken (vrije tijd). |
|
_________________ Pompiedom...
Eric Lombard. |
|
|
wolvins
 |
Door wolvins - Monday 18 April, 2005 14:51 |
|
|
Ze had eigenlijk een eindelijk een eigen leven en ze zou het niet laten beheersen door een dergelijk iets als dit oke persoonlijk denk ik dat deze zin veel te veel vaagheden bevat kwam er dan ook niet helemaal uit. Had toen ik het verhaal las echt een momentje nodig om verder te kunnen gaan
Het lag als ene laag bananenpudding op de grond Het komt te luchtig over haalt je een beetje uit de sfeer. Misschien probeer je al duidelijk te maken dat de mist niet kwaadaardig is. Maar het haalde mij een beetje uit het verhaal
Tja verder vond ik inderdaad net als de rest het verhaal potentie hebben, maar ergens loopt het niet helemaal je hebt echt het gevoel dat het gehaast is afgerond, zoals je zelf zegt klopt dit ook wel.
Was ondanks dat gevoel wel het lezen waard  |
|
|
|
|
Athildur Rudlihta
 |
Door Athildur - Monday 18 April, 2005 21:32 |
|
|
Dank je, wolvins .
Ja, die ene zin...*kuche* Dat is een van mijn beroemde (nouja...nog niet) dubbel-momenten. Dan begin ik in een zin en gaat het over in een compleet andere zin...dan klopt er niks meer van (het moet dus zijn: Ze had eindelijk een eigen leven en etc. etc.). |
|
_________________ Pompiedom...
Eric Lombard. |
|
|
|
Powered by phpBB © 2001, 2005 phpBB Group
Fantasy phpBB2 Theme by J.Y. Tuinhof (Fantasy Realm)
|
|